Ontwikkelingsachterstanden of gedragsproblemen. Het aantal kinderen met extra zorgvragen in de kinderopvang neemt toe. Voor veel organisaties is het een uitdaging om ze de juiste zorg en begeleiding te bieden. En dit roept ook fundamentele vragen op zoals: zijn pedagogisch professionals hier goed op voorbereid? En zit er een grens aan wat we van hen mogen vragen?
Betsy van de Grift is auteur en adviseur in de kinderopvang. Ze ziet een duidelijke beweging in de samenleving. Een stille transitie, zoals ze het zelf noemt. Eentje waar de kinderopvang niet omheen kan. ‘Steeds meer kinderen met een extra zorgvraag vinden hun weg naar de kinderopvang,’ vertelt Betsy. ‘En dat aantal zal de komende jaren alleen maar toenemen.’
Deze ontwikkeling raakt ons allemaal
Volgens haar bevindt de sector zich in een nieuwe fase. Een fase van bewustwording. ‘Het is belangrijk dat we ons hier niet voor afwenden, maar beseffen dat deze ontwikkeling ons allemaal raakt,’ zegt ze. ‘De kinderopvang moet nu echt gaan analyseren wat dit betekent. Welke gevolgen gaat dit hebben? Niet alleen voor de organisaties zelf, maar ook voor de kinderen en families waarvoor je er wilt zijn.’
Vooral zichtbaar bij de VVE
Waarom er steeds meer kinderen met een extra zorgvraag in de kinderopvang terechtkomen legt Betsy graag uit. ‘Wat ik vooral hoor is dat binnen de VVE meer kinderen binnenkomen met complexere ondersteuningsvragen. Denk aan motorische achterstanden omdat ze te weinig zijn uitgedaagd met bewegen. Maar ook problemen in de sociaal emotionele sfeer hoor je vaker.’
Dat het vooral bij de VVE wordt opgemerkt, is volgens Betsy logisch te verklaren. ‘Je moet beseffen dat kinderopvang in Nederland enorm is gegroeid. Ruim 95 procent van de kinderen in Nederland komt tegenwoordig in aanraking met kinderopvang. We bereiken dus automatisch ook meer kinderen met een afwijkende ondersteuningsvraag.’
Gemeente verantwoordelijk voor jeugdhulp
Maar volgens Betsy speelt er meer dan alleen een maatschappelijke verschuiving. ‘Sinds de invoering van de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor de jeugdhulp,’ legt ze uit. ‘Zij zoeken voor kinderen met een extra zorgvraag juist een plek dichtbij huis. Een omgeving die laagdrempelig en vertrouwd aanvoelt. Omdat er steeds minder medische kinderdagverblijven zijn, komt die vraag nu steeds vaker bij de kinderopvang terecht.’
Kun je deze hulp wel bieden?
De toestroom van kinderen met een extra zorgvraag heeft volgens Betsy grote gevolgen voor de sector. ‘Wat je precies tegenkomt, hangt af van hoe deze kinderen bij je binnenkomen,’ legt ze uit. ‘Soms gaat dat via de gemeente, maar het kan ook een kind zijn dat als baby op je locatie begint en waarbij gaandeweg blijkt dat het iets extra’s nodig heeft. Op zulke momenten loop je onvermijdelijk tegen dilemma’s en aanpassingsproblemen aan. Je moet je als organisatie eerlijk afvragen of je deze hulp wel kunt bieden. Want als je doorgaat zoals altijd, doe je niet alleen dat kind tekort maar uiteindelijk ook de rest van de groep.’
Eén kleine aanpassing is niet genoeg
Wat Betsy vaak ziet, is dat er incidenteel wel iets voor deze kinderen wordt gedaan. ‘Medewerkers maken onderling afspraken over hoe ze met zo’n kind omgaan, of richten een hoekje in waar het zich kan terugtrekken als het boos is,’ vertelt ze.
Maar volgens haar is dat niet genoeg. ‘Kinderopvangorganisaties moeten echt begrijpen wat inclusieve kinderopvang betekent. Het vraagt om meer dan kleine aanpassingen. ‘Als één kind iets extra’s nodig heeft, vraagt dat iets van de hele groep.’
Zorg ook voor de andere kinderen op de groep
Betsy geeft een voorbeeld: ‘Stel dat een van de kinderen de dynamiek verstoord vanwege agressief of wild gedrag. Dan moet je automatisch ook iets doen voor de andere kinderen op de groep. Die kunnen namelijk bang zijn of schrikken van dit kind. Het is dan belangrijk om concrete afspraken met collega’s te maken. Op welke manier ga je hiermee om? Hoe bewaak je de rust op de groep? Hoe zorg je dat de kinderen zich nog veilig voelen? Hoe zorg je ervoor dat je zelf niet boos wordt en geen harde stem gaat opzetten? Het vraagt echt iets anders van de vaardigheden en inzet van pedagogisch professionals dan ze voorheen gewend zijn.’
Willen pedagogisch professionals dit wel?
Volgens Betsy vraagt deze ontwikkeling om een fundamenteel andere manier van werken. ‘Dit raakt aan de kern van onze beroepsidentiteit,’ zegt ze. ‘Het roept de vraag op of pedagogisch professionals hier wel voldoende op zijn voorbereid. En zelfs als ze het kunnen, willen ze het dan ook? Veel mensen hebben dit vak ooit gekozen met een andere gedachte. Sommige professionals vinden het een mooie uitdaging, maar voor anderen voelt het alsof hun beroep in korte tijd een richting op is gegaan die ze niet wilden.’
De structurele aanpak
Hoe kunnen organisaties zich beter voorbereiden op kinderen met een extra zorgvraag? Volgens Betsy begint dat bij een structurele aanpak. ‘Kijk niet alleen incidenteel naar wat er nodig is, maar veranker het in je beleid en visie,’ zegt ze. ‘Dat betekent dat je moet samenwerken met externe deskundigen, zorgen dat de organisatie en de financiering goed zijn geregeld, en beleid, processen en procedures hierop afstemt. Je moet die ondergrond alvast hebben liggen, zodat je klaar bent op het moment dat deze kinderen binnenkomen.’
Ook het team mag daarin niet worden vergeten. ‘Pedagogisch professionals moeten hierin worden meegenomen en ondersteund. We zitten in een overgangsfase, en het is niet realistisch te verwachten dat iedereen meebeweegt. Sommige mensen hebben dit werk destijds niet gekozen om met complexe zorgvragen te werken en niet iedereen heeft hier affiniteit mee.’
Het gaat om bewustwording
Betsy geeft tot slot aan dat ze organisaties wil helpen grip te krijgen op wat er nu gaande is. ‘Ik wil dat ze een bewustwordingsproces doorlopen, want inclusieve opvang vraagt veel meer van organisaties dan vaak wordt gedacht. Ze zullen er uiteindelijk echt meer mee moeten doen dan nu het geval is.’




