Betsy van de Grift adviseert organisaties in de kinderopvang over kwaliteit, pedagogiek en de ontwikkeling van jonge kinderen. Daarnaast is ze auteur van het boek Zorgen voor zorgenkinderen in de kinderopvang. Ze vertelt dat inclusieve opvang een complex vraagstuk is. ‘De opvang van zorgkinderen in de kinderopvang is nog jong, er is nog geen structuur, beleid en geen duurzame financiering, zoals in het onderwijs. Daardoor is het onmogelijk om nu al te zeggen wat het beleidskader eventueel voor deze sector gaat doen’.
Uitsluiting voorkomen
Het streven naar de inclusieve leeromgeving speelt nu ook al in de kinderopvang, merkt Betsy. Kinderen die extra zorg nodig hebben, gaan minder snel naar aparte specialistische voorzieningen, om uitsluiting te voorkomen. ‘Die kant gaat het echt wel op. Dat is iets waar we onze weg in moeten gaan vinden als sector. Nu zijn de lokale initiatieven om kinderen met een extra ondersteuningsvraag in de kinderopvang op te nemen heel versnipperd. Ze worden bovendien vaak op pilotbasis gefinancierd’, vertelt Betsy.
Rol van de overheid
Ze is kritisch over de rol die de overheid nu neemt: ‘Er is dit jaar dan wel een handreiking gemaakt door de drie betrokken ministeries, maar daarin staat dat het gaat om een ‘handreiking om binnen de huidige kaders een kinderopvangomgeving te creëren waar alle kinderen samen kunnen (op)groeien’. Vooral met dat ‘binnen de huidige kaders’ legt de overheid volgens mij de bal bij de kinderopvang. Nou, dan moeten we dus zelf maar aan de slag en niet door het ministerie van onderwijs laten bepalen dat we per 2035 deel uitmaken van een inclusieve leeromgeving’.
Herhaling van de geschiedenis
Betsy ziet in de nadruk op meer inclusief onderwijs trouwens nog iets anders. ‘Kijk maar eens naar de historische context: al sinds de jaren zeventig is de overheid bezig geweest om het onderwijs aan kinderen met een extra zorgvraag te reguleren. Er werd eerst flink geïnvesteerd in speciaal onderwijs (SO). Nederland liep daarin voorop. Maar het SO groeide zo hard dat met meerdere ingrepen werd geprobeerd om zorgleerlingen binnen reguliere scholen te houden. Daarvoor moest scholen hen een passend aanbod doen: speciaal basisonderwijs (SBO). Die aanpassingen hadden echter niet het bedoelde effect. Inclusief onderwijs in principe mooi, maar mij bekruipt het gevoel dat het ook weer gewoon een herhaling van de geschiedenis kan zijn: grip krijgen op speciaal onderwijs’.
Opvang wil inclusief zijn
Wil de kinderopvang eigenlijk wel inclusief zijn? ‘Ja,’ zegt Betsy, ‘de kinderopvang neemt haar plaats in de kind-keten serieus en wil wel degelijk inclusiever zijn. Steeds meer kinderen met een zorgvraag worden nu al zoveel mogelijk in de groepen opgenomen, als het kan. Organisaties voelen de plicht om de ondersteuning te bieden die kind en gezin nodig hebben.’
Daarnaast zien steeds meer organisaties inclusieve opvang ook als een belangrijke maatschappelijke waarde. ‘Ik zie veel organisaties die nu al aangeven dat ze er voor alle kinderen met een ondersteuningsvraag willen zijn. Dat is een mooie gedachte.’
Mogelijkheden inkaderen
Aan de andere kant vraagt een goede uitvoering een sterke staande structuur, zegt Betsy. ‘Je moet je mogelijkheden inkaderen. Hoeveel kinderen met extra ondersteuningsvragen wil je per groep maximaal hebben? Moeten de groepen kleiner gemaakt worden? Bij welke problematiek stel je de grens? Inclusieve kinderopvang is niet iets wat je binnen een paar weken in elkaar kunt zetten.’
Betsy geeft een leerregel mee voor organisaties die op weg zijn naar inclusieve opvang: ‘Het is niet iets wat je doet, het is iets wat je bent.’
Functie pedagogisch professional verandert
Werken met zorgenkinderen kan de werklast veranderen en verzwaren. Betsy bepleit daarom dat de hele functie van de pedagogisch professional onder de loep genomen wordt. ‘Wat moet er in de scholing veranderen? En moet je pp’ers vrije keuze geven om al dan niet met zorgenkinderen te gaan werken? Sommige professionals zijn niet in dit beroep gestapt om met complexe casussen om te gaan. Het vraagt beroepsmatig echt wel iets heel anders van je. En dat is niet voor iedereen weggelegd.’
Bezint eer ge begint
Er is ook iets ingewikkelds met de term ‘inclusie’, zegt Betsy. ‘Het is een moreel beladen woord, waar je moeilijk nee tegen kunt zeggen. Toch moeten organisaties er goed over nadenken hoe ze die inclusiviteit kunnen waarmaken. Voorkom aanpassingen bij elk nieuw zorgenkind. Het beleid moet afgestemd zijn op een structureel aanbod voor zorgenkinderen. Van tevoren moet iedereen weten hoe te handelen en wat de procedure is voor plaatsing en uitplaatsing. Want in sommige gevallen is het voor iedereen beter dat er wordt gekeken naar een andere optie. Voor het kind, de pedagogisch professionals en de groep. Speciale opvang, onder de jeugdwet of de zorg, zal in mijn optiek dus altijd nodig zijn.’
Wat kan de kinderopvang wel doen?
Wat kan de kinderopvang doen om met onderwijs op te trekken, op weg naar meer inclusie? Betsy ziet dat er steeds vaker dat van de opvang wordt verwacht dat kinderen beter gescreend worden. ‘Als een kind op school bij de kleuters terechtkomt en opvallend gedrag vertoont, wordt vaak gekeken naar de ‘afzender’. Uit ervaring weet ik dat er op zulke momenten steeds meer naar de opvang wordt gekeken, soms zelfs meer dan naar de ouders. De school kan dan met vragen komen waarom jij als kinderopvangorganisatie niet eerder aan de bel hebt getrokken. Ook de overloop van schoolkinderen met een ‘rugzakje’ naar de bso maakt duidelijk dat er meer samenwerking nodig is. Ik zie dus wel dat er in de toekomst steeds meer van de kinderopvang zal worden verwacht.’
Betsy is adviseur en auteur voor kinderopvang en kleuteronderwijs. Ze schreef boeken over de breinontwikkeling van kinderen en inclusieve kinderopvang, waaronder Zorgen voor Zorgenkinderen en Zorgenkinderen in de Groep. In mei volgt Zorgenkinderen in het MT.


Ik volg de ontwikkelingen rondom inclusieve kinderopvang met veel interesse, maar eerlijk gezegd ook met een flinke dosis spanning. Niet omdat ik tegen inclusie ben — integendeel. Met mijn achtergrond in de (jeugd)hulpverlening weet ik hoe waardevol het kan zijn wanneer kinderen met extra ondersteuningsvragen kunnen meedraaien in een reguliere omgeving. Maar juist door die ervaring weet ik ook hoe intensief en complex deze zorg kan zijn.
Wat mij raakt in dit artikel, is de realistische toon. Inclusie is een prachtig ideaal, maar het vraagt om structuur, duidelijke grenzen en vooral: extra handen. In de hulpverlening is het vanzelfsprekend dat zware casussen niet “erbij” worden gedaan. In de kinderopvang lijkt dat soms wél de verwachting, terwijl de randvoorwaarden totaal anders zijn.
Als eigenaar van een kleine kinderopvangorganisatie — waar ik zelf ook dagelijks op de groep sta — zie ik van dichtbij hoe kwetsbaar de balans is. De sfeer is goed, de aandacht voor ieder kind is er, en dat wil ik graag zo houden. Ik sta er absoluut voor open om één of twee kinderen met een zwaardere zorgvraag te begeleiden, maar dan moet er wel een extra PM’er op staan die deze kinderen gericht kan ondersteunen. Zonder die extra formatie komt de kwaliteit voor álle kinderen onder druk te staan.
Daarom vind ik het lastig dat de overheid inzet op inclusie “binnen de huidige kaders”, zoals in het artikel wordt benoemd. Dat schuift de verantwoordelijkheid volledig naar de kinderopvangsector, terwijl de middelen ontbreken. Inclusie zonder structurele financiering, scholing en personele uitbreiding is geen inclusie — het is overbelasting.
Ik hoop dat de overheid echt over de brug komt. Niet met pilots of tijdelijke potjes, maar met duurzame middelen waarmee we inclusieve opvang verantwoord kunnen vormgeven. Want het kan wél, maar niet zonder de juiste voorwaarden. En zeker niet zonder oog voor de draagkracht van kleine organisaties en de professionals die elke dag het verschil maken.