Over uren, dagdelen, kostprijzen en tarieven

De overheid verwijt de kinderopvang dat er te veel uren aan ouders in rekening gebracht worden. Vanuit verschillende perspectieven is dit een vreemde constatering. Is de minister opeens de kampioen van de consumentenbelangen geworden? Is die verontwaardiging over het afrekenen in dagdelen wel zo voor de hand liggend? Een analyse in twee afleveringen.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Over uren

Eind februari 2013 verscheen na lang wachten de brief van de minister van SZW met de reactie op het al ruim een half jaar daarvoor afgeronde onderzoek van de B&A Groep naar de kostprijsopbouw in de kinderopvang. Dit onderzoek zou duidelijkheid moeten verschaffen over de vraag of ouders wellicht te veel betaalden voor hun kinderopvang en wat de (financiële) gevolgen zouden zijn van het realiseren van meer keuzevrijheid voor ouders.

In dit eerste artikel ga ik in op de maatschappelijke context, waarin de aanleiding voor dit onderzoek gevonden werd. Volgend nummer ga ik in op de resultaten en de beleidsconclusies van het onderzoek.

Primaire marktpartij

Sinds 2005 worden kinderopvangorganisaties niet meer gesubsidieerd door de overheid, maar is er sprake van marktwerking, waarbij de ouders een toeslag kunnen ontvangen en daarmee kinderopvang kunnen inkopen. Strikt genomen hebben kinderopvangorganisaties en overheid sindsdien geen onderlinge financiële relatie meer, maar loopt deze via de ouders. In zo’n situatie, waarbij ouders als primaire marktpartij worden gezien, is het op zijn zachtst gezegd merkwaardig dat de overheid onderzoek laat uitvoeren naar de opbouw van de kostprijs, met op de achtergrond het idee daarop eventueel te willen ingrijpen.

Zouden ouders niet juist de partij moeten zijn die vraag en aanbod tegen elkaar afwegen en hun keuze daarop baseren? Betekent marktwerking juist niet een terughoudende opstelling van de overheid? Of is er in de branche sprake van zulke ernstige misstanden dat overheids­ingrijpen in de relatie tussen kinderopvang en ouders gerechtvaardigd is? En waarom heeft de NMA dat dan niet geconstateerd, toen die in 2009 vaststelde dat er in de kinderopvang geen sprake is van marktverstoring. Zou de overheid dan toch de marktwerking minder serieus nemen dan bij de start van de Wet kinderopvang in 2005 werd bedoeld?

Als legitimatie van de bemoeienis van de overheid met de kinderopvang wordt vaak verwezen naar het belangrijke aandeel dat de overheid heeft bij de financiering van de kinderopvang (ongeveer twee derde). Het lijkt mij terecht om vanwege dat grote belang kwaliteitsregels aan de kinderopvang te stellen en daarop uitgebreid te controleren (zoals de GGD doet). Bovendien is het een goede reden de rechtmatigheid te bewaken door fraude tegen te gaan (zoals helaas niet gelukt is). In mijn opinie past het echter niet bij marktwerking dat de overheid een sterke invloed heeft op de vorm waarin de producten aangeboden worden, laat staan op de prijzen.

Geen behoefte

In het regeerakkoord staat dat de minister met de sector afspraken gaat maken over een grotere flexibiliteit in het aanbieden van contracten. Als uitwerking daarvan kondigt de minister in de beleidsbrief van 25 februari 2013 aan dat hij mogelijkheden ziet om contracten en urenafname dichter bij elkaar te brengen. In gewone mensentaal betekent dit, dat de minister vindt dat ouders soms betalen voor iets dat ze niet afnemen, of waar ze geen behoefte aan hebben. Aangezien ook ouders dat geluid soms laten horen, maar blijkbaar niet bij machte zijn hun voorkeuren op de kinderopvangmarkt te realiseren, stelt de minister zich op als kampioen van de consumentenbelangen.

Met het begrip ‘urenafname’, zoals de minister dat gebruikt, is iets vreemds aan de hand. De minister suggereert dat ouders uren afnemen, maar daarvan is in de meeste contracten geen sprake. De ouders kopen vrijwel steeds dagdelen. De eenheid ‘opvanguren’ kwam vóór 2005 in de kinderopvang niet voor en is door het ministerie geïntroduceerd als rekeneenheid, opdat de Belastingdienst de hoogte van de kinderopvangtoeslag zou kunnen vaststellen. Om ouders en Belastingdienst daarbij te helpen, werd aan de kinderopvangorganisaties vriendelijk gevraagd hun producten in uren te kwantificeren. Het urenbegrip was dus louter een administratief begrip en had geen enkele betekenis voor de contractuele relatie tussen ouder en kinderopvangorganisatie. De ouder krijgt precies wat in de contracten beschreven staat, namelijk een bepaald aantal dagdelen. Er is – in juridische zin – dus helemaal geen afstand tussen contracten en urenafname.

Politiek instrument

Sinds 2005 is het urenbegrip echter steeds meer een politiek instrument geworden, in eerste instantie door de maximaal subsidiabele uurprijs (die ooit de bovengrens vormde van tachtig procent van de reëel voorkomende prijzen) enkele keren niet te indexeren en zelfs (voor de bso) te verlagen, vervolgens door het aantal uren te subsidiëren opvang te maximeren.

De maximaal subsidiabele uurprijs is in de afgelopen jaren voor kinderopvangorganisaties steeds meer een commercieel relevant gegeven geworden en vormt nu voor de meeste organisaties een zwaarwegend richtpunt voor het vaststellen van de eigen prijzen. Zelfs de Brancheorganisatie Kinderopvang spreekt tegenwoordig over een maximumuurprijs, in plaats van een maximaal subsidiabele uurprijs. Daarmee impliciet suggererend dat elke organisatie die daarboven zit, toch iets niet goed doet.

De branche heeft op deze ontwikkeling gereageerd door de urenberekening te optimaliseren in het voordeel van de klant en daardoor van de branche. Steeds meer uren werden toegerekend aan hetzelfde pakket, waardoor de prijs per uur zo veel mogelijk onder de maximumuurprijs kon blijven, terwijl de kostenstijgingen toch doorberekend konden worden. Na enige uitleg had de oudercommissie hier meestal wel vrede mee. De rekening kwam echter bij de overheid terecht in de vorm van een gestegen beslag op het budget van de kinderopvang­toeslag. Niet verbazingwekkend dan ook, dat er nadere richtlijnen kwamen voor wat wel en niet ‘geteld’ mag worden. Niet omdat de klant tekortkwam, maar omdat de overheid daar te veel aan bij moest dragen.

IJzeren logica

In deze zelfde periode werd het urenbegrip ook ontdekt door ouders en is bij hen de wens ontstaan op uurbasis af te mogen rekenen. Of sterker nog: de gedachte ontstond dat de ouder zelfs het recht had om dat te mogen doen. Want, aldus de ijzeren logica: ‘je wilt toch niet betalen voor iets dat je niet nodig hebt’. Op zich is het natuurlijk niet vreemd dat klanten niet willen betalen voor iets dat ze niet afnemen. Welk normaal mens zou daar immers wel voor kiezen? Maar waar komt die gedachte vandaan dat je dat op uurbasis zou moeten afmeten?

De kinderopvang is in deze discussie opnieuw in het defensief terechtgekomen. In de context van het misbruik van de gastouderregeling leek de weerstand in de branche tegen ‘uurtje-factuurtje’ al snel op misbruik van de machtspositie (toen waren er nog wachtlijsten) en op een poging tot zelfverrijking. De opkomst van private-equity-partijen in de kinderopvang met hun hoge rendementsdoelen, kwam het imago van de kinderopvang hierbij absoluut niet ten goede.

De morele verontwaardiging bij ouders (en in het verlengde daarvan bij de politiek en de minister) over het rekenen in dagdelen in plaats van uren, heb ik nooit goed begrepen. Je zou verwachten dat deze roep om ultieme rechtvaardigheid voor de klant, zich inmiddels wel als een olievlek uitgebreid zou hebben tot andere branches waar hetzelfde speelt, maar daar is absoluut geen sprake van. Heeft u wel eens geprobeerd korting te krijgen op een hotelkamer, omdat u er maar zes uur doorgebracht had? En bij een museum, camping, zwembad of sauna? Welke minister gaat hier ingrijpen in het belang van de consument? Waarom zo veel weerstand tegen kilometerheffing (= betalen naar gebruik) op de weg, maar zo ’n hartstochtelijk pleidooi voor betalen naar gebruik in de kinderopvang? En wordt het ook geen tijd het tarief voor het paspoort te koppelen aan het aantal buitenlandse reizen?

Uurtje-factuurtje

In dit klimaat, waarbij de kinderopvang steeds weer in het defensief gedrongen werd en daar niet adequaat op kon reageren, is het onderzoek naar de kostprijsopbouw van de kinderopvang ontstaan. Dat de uitkomst daarvan was dat de introductie van uurtje-factuurtje voor de klant tot hogere prijzen zou leiden en de overheid de enige partij was die er voordeel bij zou halen in de vorm van minder toeslaguren, was niet verrassend. Een beetje kenner van de kostprijsopbouw in de kinderopvang wist dat al lang. Maar daarover meer in het vervolg op dit artikel in het volgende nummer van Management Kinderopvang.

Tony Weggemans is organisatie- en beleidsadviseur voor kinderopvangorganisaties (www.ayit.nl) en coördinator van het Netwerk Professionals Kinderopvang (www.npkov.nl).

Foto: ANP

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.