Nieuwe indicator brengt doelgroep beter in beeld

Er komt een nieuwe indicator waarmee gemeenten kunnen bepalen welke kinderen wel en welke kinderen niet een risico lopen op een onderwijsachterstand. Het centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft deze indicator ontwikkeld.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

De huidige systematiek is niet afdoende om te bepalen of kinderen in aanmerking komen voor achterstandsgeld of niet. Op dit moment is het opleidingsniveau van ouders nog bepalend. Maar het gemiddelde opleidingsniveau in Nederland stijgt. Het gevolg is dat minder kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie, terwijl er ook andere redenen aan een achterstand ten grondslag kunnen liggen. Daarnaast maken scholen nu veel fouten bij het invullen van de gewichtenregeling en is er sprake van mis- en oneigenlijk gebruik.

Grote en kleine gemeenten

Nu is de uitkering door gemeenten gebaseerd op demografische gegevens uit 2009, oftewel zeer verouderde informatie. Grote gemeenten (behorend tot de G37) krijgen meer geld dan kleinere gemeenten. Dat leidt tot een oneerlijk speelveld. Grote gemeenten hebben namelijk meer budget te besteden per doelgroepkind dan kleinere gemeenten en kunnen een kwalitatief beter aanbod doen of een grotere groep een aanbod doen (denk aan de gratis voorscholen in Amsterdam).

Vier kenmerken

De vraag aan het CBS was: wat is het van belang in de omgeving van een kind en geeft de doorslag bij de onderwijskansen? Het CBS is hier met een team van wetenschappers en andere betrokken organisaties mee aan de slag gegaan. Vier kenmerken bleken significant en in combinatie een goede voorspeller van het risico op een onderwijsachterstand:

  1. Opleidingsniveau van de ouders
  2. Land van herkomst
  3. Verblijfsduur in Nederland
  4. Schuldsanering

Onderwijsscore

Hier rolt een onderwijsscore uit per kind. Gemeenten krijgen voor kinderen met een hoger risico op een achterstand meer geld dan een kind met een lager risico. Er zijn veel voordelen van deze nieuwe systematiek. Behalve dat deze genuanceerder is, kunnen de risico’s van peuters en leerlingen hiermee jaarlijks worden berekend. Scholen hebben niet langer te maken met administratieve lasten. Minister van Onderwijs Arie Slob benadrukt dat gemeenten en scholen wel maatwerk kunnen blijven bieden op lokaal niveau en de (doel)groep kunnen versmallen of juist uitbreiden.

Verdeling gelden

Minister Slob wil snel met de nieuwe systematiek gaan werken. Maar dit leidt onherroepelijk tot een andere verdeling van de achterstandsgelden. Er moet dus een nieuwe verdeelsystematiek komen. Ook omdat de verdeling over de gemeenten nu oneerlijk is. Hiervoor doet de minister enkele suggesties en hij nodigt de Kamer uit om mee te denken over welke veredeling de beste is. Lees hierover meer in dit artikel.

Download hier de kamerbrief van minister Slob


Minister van Onderwijs Arie Slob komt met vijf scenario’s voor een andere verdeling van onderwijsachterstandsmiddelen en vraagt de Tweede Kamer mee te denken over wat de beste oplossing is. Bekijk de vijf voorstellen hier



Het kabinet wil 170 miljoen euro extra investeren in de voor- en vroegschoolse periode. Dat betekent dat aanbieders van een aanbod van 10 naar een aanbod van 16 uur per week voor doelgroeppeuters moeten komen. Hoe zit dit precies? Lees meer


Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.