IKK: het ministerie beantwoordt jullie vragen

Van 5 december 2016 tot en met 9 januari 2017 konden kinderopvangprofessionals, -managers, -houders en andere betrokkenen reageren op het wetsvoorstel Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang. Daarmee kreeg het ministerie inzicht in wat er leeft in de branche. Er werd 119 keer vanuit allerlei geledingen binnen en buiten de branche gereageerd.
IKK-vraag-antwoord.jpg
Veruit de meeste opmerkingen tijdens de internetconsultatie gingen over de aanscherping van de beroepskracht-kindratio voor baby’s. - Foto: AdobeStock

In het ontwerpbesluit van de wet IKK is een samenvatting van de resultaten van de internetconsultatie meegenomen. De meeste professionals blijken het IKK-akkoord in hoofdlijnen te onderschrijven. Positief zijn zij over: meer aandacht voor ontwikkelingsgericht werken, de introductie van mentorschap, permanente educatie, coaching door een pedagogisch beleidsmedewerker. Andere onderdelen waar overwegend positief op wordt gereageerd zijn de aanpassingen in veiligheids- en gezondheidsbeleid en de EHBO-eis, die stelt dat er altijd een volwassene aanwezig moet zijn die over een kinderEHBO-certificaat beschikt.

Beroepskracht-kindratio baby’s

Maar er zijn ook vragen en zorgen en soms ook kritiek. Veruit de meeste opmerkingen werden gemaakt over de aanscherping van de beroepskracht-kindratio voor baby’s. Sommige respondenten zien de meerwaarde van deze maatregel niet, omdat proceskwaliteit (bijvoorbeeld interactievaardigheden) belangrijker zijn dan structurele kwaliteit (het aantal pm’ers). Verder zijn er vooral zorgen over de kosten van deze maatregel. Babyopvang zal niet meer rendabel zijn, zeggen vooral ondernemers.

Uurprijs

Het ministerie legt uit dat zij en de branchepartijen met wie het IKK-akkoord is gesloten, het aanscherpen van de ratio voor baby’s wel degelijk belangrijk vinden voor de kwaliteit. De verwachting is dat pm’ers door de aanpassing straks meer tijd en aandacht kunnen besteden aan baby’s. Om deze maatregel betaalbaar te houden, zal de maximale uurprijs van de dagopvang worden verhoogd.  De hogere kostprijs zal leiden tot een hogere uurprijs voor ouders. Om dit te compenseren wordt er vanaf 2017 structureel 200 miljoen geïnvesteerd in de kinderopvangtoeslag. Hierdoor worden de effecten voor ouders geminimaliseerd.

Doorstroom baby’s

Eerder al beloofde toenmalig minister Asscher van Sociale Zaken een onderzoek in te (laten) stellen naar de kostprijs van kinderopvang voor kinderen van verschillende leeftijden. Daarmee wil het ministerie peilen of de aanscherping van de bkr een te grote druk legt op ondernemers. Enkele respondenten gaven aan zich zorgen te maken over wat de scherpere bkr voor babygroepen doet voor de doorstroom. Minder 0-jarigen per groep leidt tot meer 0-jarigen in anderen groepen. Mede hierdoor is besloten om het rekenschema voor de bkr in babygroep iets aan te passen. Dit houdt in dat er meer baby’s op een groep mogen zijn zolang er dan ook maar extra pm’ers ingezet worden.

Horizontale groepen

Tot slot geven respondenten aan dat zij vanuit kostenoverweging vaker zullen kiezen voor verticale groepen omdat de horizontale babygroep te duur wordt. In een verticale groep zien baby’s meer gezichten, zijn de groepen groter en is er meer onrust waarmee de voordelen van een andere bkr in babygroepen verdwijnen. Het ministerie antwoordt daarop dat ondernemers zelf een verhoging van kosten in het uurtarief doorberekenen en dus zelf keuzes kunnen maken of ze dat willen om zo horizontale groepen in stand te kunnen houden.

Ratio bso’s

Op bso’s wordt de bkr juist ruimer ingezet. Ook daar hebben sommige respondenten hun twijfels over. ‘Want de werkdruk is nu al zo hoog op de bso’. En veel anderen denken dat het financiële voordeel dat behaald moet worden door een ruimte bkr voor kinderen vanaf 8 jaar niet altijd haalbaar is. Allereerst zijn er minder kinderen van 8-12 jaar in de bso.

Pedagogisch beleidsmedewerker

Verdere vragen gaan over de inzet van de hbo-opgeleide pedagogisch beleidsmedewerker. Waarom geen ervaren mbo’er voor deze taak inzetten, wordt er gevraagd. Het ministerie en de branchepartijen vinden echter dat de werkzaamheden van deze coach beter aansluiten bij een hbo-opgeleide professional. De bedoeling is dat deze persoon 50 uren per vestiging wordt ingezet. Kleine organisaties zijn bang dat ze dit niet kunnen betalen. Maar daar is een aparte rekensom voor bedacht: het aantal uren dat de houder aan pedagogische beleidsvoornemens moet besteden bedraagt 50 uur maal het aantal kindercentra dat hij exploiteert. Als de houder 1 kindercentrum heeft dan zal er op dat kindercentrum dus 50 uur aan pedagogische beleidsvorming moeten worden besteed. Heeft de houder meer kindercentra dan kan hij de inzet zelf verdelen.

Overige vragen en antwoorden

  • De aangescherpte eisen aan personeelsinzet leiden tot andere groepsindelingen. Dit heeft ook consequenties voor de oppervlaktes in de groepsruimtes. Bouwtechnische aanpassingen kosten veel tijd en geld of zijn niet mogelijk. Wat nu?
    ‘De m²-eis wordt per kind berekend. Hierbij geldt dat alle passend ingerichte binnenspeelruimte in het kindercentrum wordt meegerekend. De aanpassingen aan de beroepskracht-kindratio zijn van invloed op de personeelsinzet. Bij gelijke kindaantallen is geen aanpassing in het aantal m2 nodig. Wel kan vanuit de aanpassingen aan de beroepskracht-kindratio gekozen worden voor andere groepsindelingen, waarbij ook aanpassingen in de ruimte-indeling wenselijk kunnen zijn.’
  • De eisen m.b.t. de buitenruimte vormen een probleem voor mijn peuterspeelzaal. Zo is het buitenspeelterrein dat wij delen met de school niet gedurende de hele opvangtijd beschikbaar.
    ‘Het ministerie wil een verruiming van de eisen aan de buitenspeelruimte. Branchepartijen willen met pilots experimenteren met ruimere eisen voordat er besloten wordt om eigen definitief aan te passen.’
  • Het vaste gezichtencriterium voor baby’s is niet haalbaar omdat veel beroepskrachten parttime werken.
    ‘Graag willen we benadrukken dat het vaste gezichtencriterium geldt per kind en niet per groep. Dat betekent dat er altijd één van de vaste gezichten aanwezig moet zijn op de groep van het betreffende kind. Dat betekent niet dat er geen andere beroepskrachten aanwezig mogen zijn. Het gaat erom dat er voor een kind ten minste altijd één vertrouwd gezicht aanwezig is. Dit vergt alleen maatwerk voor baby’s die meer dan 2 dagen per week naar de kinderopvang komen.’
  • ING: De regels voor de personeelsinzet zijn te gedetailleerd. Dit zou meer gericht moeten zijn op maatwerk en niet op het dwingend stellen van regels.
    ‘In samenspraak met de partijen uit de sector is het gekomen tot het huidige voorstel. Daarnaast is er afgesproken om pilots op te zetten om meer ruimte voor maatwerk te bieden. Naar aanleiding van de reacties op de internetconsultatie is in overleg met betrokken sectorpartijen de tabel met de ratio’s aangepast zodat meer ruimte voor maatwerk ontstaat.’
  • Een andere personeelsplanning, het aannemen van pedagogisch beleidsmedewerkers, wellicht bouwtechnische aanpassingen doorvoeren: Is dit niet te veel voor ons om voor 1 januari 2018 te realiseren?
    ‘Niet alle wijzigingen treden gelijktijdig in werking. Zo is besloten om de inwerkingtredingsdatum van pedagogisch beleidsmedewerker naar 1 januari 2019 te verschuiven. Als het streven om de overige wijzigingen uiterlijk 1 juli 2017 te publiceren, is er nog een half jaar voor organisaties om zich op de nieuwe kwaliteitsregels voor te bereiden. Deze tijd wordt voldoende geacht.’

Download hier het ontwerpbesluit Kwaliteit Kinderopvang en Peuterspeelzaalwerk

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.