Baby’s die nog niet zelfstandig kunnen zitten, naast elkaar in harde zitjes aan tafel. Dreumesen met vijftien tegelijk aan een hoge tafel, die geacht worden zelf te eten. Hongerige peuters die eerst hun beker leeg moeten drinken voordat ze mogen beginnen aan het eten. Eén schaal fruit die langs zestien kinderen gaat, waarbij de eerste alle keuze heeft en de laatste moet hopen dat er nog iets lekkers op ligt.
Het is niet moeilijk om tijdens zulke momenten bepaald gedrag te signaleren: slaan op tafel, bekers omgooien, lepels op de grond gooien, aan elkaar trekken, bijten, gillen. Veel lawaai. Veel correcties.
Volgens Steinebach is dat gedrag vaak volkomen logisch. ‘We starten het socialisatieproces al heel vroeg. We zetten jonge kinderen samen aan tafel, terwijl ze de vaardigheden om goed te kunnen eten nog aan het ontwikkelen zijn. Dan is het niet vreemd dat het schuurt.’
Eten is geen automatisme
Voor volwassenen voelt eten vanzelfsprekend en vaak als een leuk, sociaal moment. Voor jonge kinderen is het een complexe vaardigheid. Een baby die net start met vaste voeding moet leren dat zijn tong anders beweegt dan bij drinken. Waar die eerst vooral van voor naar achter bewoog om te slikken, is bij kauwen een zijwaartse beweging nodig. Dat vraagt oefening, stabiliteit en concentratie.
‘Voor jonge kinderen is eten een complexe vaardigheid’
Die concentratie staat ook onder druk wanneer een kind moet wachten op zijn beurt. Esther Steinebach gebruikt in trainingen vaak een vergelijking: stel dat je in een restaurant zit met enorme trek. Je krijgt pas een nieuwe hap wanneer iedereen in de ruimte eerst is geweest. Je ziet anderen eten, jij wacht. Nog even geduld. En nog even.
Dat is wat we soms van jonge kinderen vragen. Ze zijn klaar voor de volgende hap, maar moeten toezien hoe eerst kind nummer zes aan de beurt is. Dat vraagt zelfregulatie die ze nog aan het ontwikkelen zijn.
Ook het verzadigingsgevoel speelt mee. In een omgeving met veel prikkels en onrust voelen jonge kinderen minder goed of ze genoeg hebben gehad. Wanneer een baby het eten met zijn tong weer naar buiten duwt, wordt al snel gedacht dat hij klaar is, terwijl hij mogelijk nog aan het leren is hoe hij dit nieuwe voedsel moet verwerken.
De kracht van voorbereiding
Wat Steinebach daarnaast vaak ziet, is dat het eetmoment start voordat het echt kan beginnen. Kinderen zitten al aan tafel, maar het fruit moet nog gesneden worden. Er mist een beker. Iemand loopt terug naar de keuken voor een vork. De pedagogisch professional staat meerdere keren op.
Dreumesen doen wat ze zien. Als de volwassene opstaat, staan zij ook op. In een setting met hoog meubilair kan dat zelfs fysiek onveilig worden. Vervolgens klinkt de verzuchting dat kinderen niet blijven zitten. ‘Maar wat doen wij zelf?’, vraagt Esther dan. ‘Onvoldoende voorbereiding zorgt bijna automatisch voor onrust.’
Het zijn ogenschijnlijk kleine dingen: alles klaarzetten voordat kinderen aan tafel komen, doekjes binnen handbereik leggen, nadenken over de volgorde. Toch maken ze een groot verschil.
Kleinere tafels, meer aandacht
De meest ingrijpende en tegelijk eenvoudige verandering die zij op locaties doorvoert, is het opdelen van de groep. Niet met vijftien of zestien kinderen tegelijk aan tafel, maar in kleine groepjes. Idealiter vier kinderen per keer. Terwijl de ene helft eet, speelt de andere helft. Daarna wordt gewisseld.
‘Niet met vijftien of zestien kinderen tegelijk aan tafel, maar in kleine groepjes’
In zo’n kleine setting ontstaat ruimte voor echte aandacht. Een kind dat hulp nodig heeft bij het opscheppen of het vasthouden van een beker kan die krijgen. Er is minder lawaai, minder onderlinge prikkeling, minder strijd om wie wanneer aan de beurt is.
Op locaties waar deze omslag is gemaakt, ziet Esther dat de rust tijdens het eten doorwerkt in de rest van de dag. Minder escalaties, minder vermoeidheid bij professionals, minder spanning bij kinderen.
‘Eten is niet alleen fysiek opladen voor kinderen’, zegt ze. ‘Het is ook een moment van verbinding. Als een kind zich gezien voelt, vervult dat een basisbehoefte. Daarna kan het weer verder.’
Nog drie hapjes dan
Een terugkerend thema in Esthers begeleiding is taakverdeling. De volwassene bepaalt wat er wordt aangeboden, waar en wanneer er wordt gegeten. Het kind bepaalt of het eet en hoeveel. Op het moment dat volwassenen proberen te sturen op de hoeveelheid (‘nog drie hapjes, eerst je beker leeg’) verschuift die taak. Wat volgt is vaak een subtiele machtsstrijd. En die strijd maakt eten beladen.
Het eetmoment vraagt volgens Esther om meer vertrouwen. ‘Vertrouwen dat een kind zijn eigen lichaam kan volgen. Dat honger zich vanzelf aandient. Dat druk averechts werkt.’
Van gewoonte naar bewustzijn
Esther Steinebach benadrukt dat haar observaties geen aanklacht zijn tegen pedagogisch professionals en hoe zij het al jaren doen. Sterker nog, ze heeft veel ontzag voor iedereen die op de groep staat. ‘Dit werk is intens. Je doet het alleen als je hart bij kinderen ligt.’ Juist daarom pleit ze voor kritisch kijken naar gewoontes die in de loop der jaren normaal zijn geworden.
Waarom kiezen we voor massale eetmomenten? Waarom voor plastic bekers, terwijl een echt glas soms prettiger in de mond ligt en beter laat zien hoeveel erin zit? Waarom beginnen we al met praten en vragen stellen terwijl een kind net geconcentreerd eet?
Het zijn vragen die raken aan pedagogische kwaliteit in het klein. Niet in beleidsstukken of themahoeken, maar in de dagelijkse verzorgingsmomenten. Misschien begint kwaliteit wel bij het durven vertragen. Bij het verkleinen van de groep aan tafel. Bij het besef dat eten voor jonge kinderen geen sociaal hoogtepunt hoeft te zijn, maar in de eerste plaats een ontwikkelmoment.

