De pijn van failliet gaan

Transparantie. Niet je kop in het zand steken. Op tijd maatregelen nemen. Dat zijn adviezen aan organisaties die in financiële problemen dreigen te raken. Liever nu onaangename maatregelen dan straks failliet. Failliet gaan doet pijn en niet zo’n klein beetje.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
De pijn van failliet gaan

Uit cijfers van de Kamer van Koophandel blijkt dat in 2012 73 kinderopvangorganisaties failliet gingen. In het eerste kwartaal van 2013 zijn dat er al 51. Zo’n 250 instellingen hebben een betalingsachterstand van meer dan vier maanden bij het pensioenfonds PFZW, waarbij 2800 organisaties zijn aangesloten. Genoeg organisaties die het moeilijk hebben dus, maar het is als vakblad moeilijk om ze te spreken te krijgen. ‘Sommige ondernemers zijn boos op de overheid, of met de noorderzon vertrokken’, zegt bedrijfsadviseur Reinoud Kroese. ‘Sommigen schamen zich. Terwijl een organisatie die failliet gaat niet per se een slechte organisatie is. En zeker niet slecht in de zin van geboden pedagogische kwaliteit. Wat vaak ontbreekt, is ondernemerschap en bedrijfskundige kennis.’

De grootste groei in de kinderopvang vond bovendien plaats in de jaren 2008, 2009 en 2010. Dat zijn allemaal organisaties die veel hebben moeten investeren, maar geen tijd hebben gehad om wat vet op de botten te krijgen, zegt Kroese. Toch vraagt hij zich regelmatig af: ‘Hoe heeft het zover kunnen komen. Er zijn ondernemers die het ene gat met het andere vullen. Daar faalt dus het intern toezicht, als dat er al is. Maar ook crediteuren zouden sneller in kunnen grijpen. De loonbelasting is al heel lang niet betaald, de rente op kredieten van de bank niet, het pensioenfonds krijgt geen geld.’

Regie in eigen hand

Martin van Osch, hoofd Borgstellingen bij het Waarborgfonds, vindt dat ondernemers in alle gevallen zelf verantwoordelijk zijn voor het oplopen van de schulden. Zij moeten de regie in eigen hand houden. Ze moeten niet wachten tot de bank, de fiscus of de verhuurder actie onderneemt, maar zelf met een goed bedrijfsplan komen. Ze moeten laten zien dat ze snappen wat de situatie is en dat ze bezig zijn met een oplossing. En zeker geen betalingsafspraken maken die ze niet na kunnen komen. Dan is het even stil bij de schuldeisers, maar dat is de kop in het zand steken.’

Het Waarborgfonds houdt overigens wel de vinger aan de pols bij ondernemers voor wie ze een borgstelling heeft afgegeven. Afhankelijk van het risicoprofiel krijgt het Waarborgfonds jaar-, kwartaal- of maandcijfers. Die beoordeelt het en gaat waar nodig daarover in gesprek met de ondernemer.

Signaleren is één, actie ondernemen is twee. Dat moet de ondernemer zelf doen. Ook Kroese vindt dat te veel ondernemers de kop in het zand steken. ‘Ze geven de overheid de schuld, maar verzuimen zelf om tijdig in actie te komen en onaangename maatregelen te nemen. Ze houden een vestiging toch nog maar even open en de mensen toch nog maar in dienst. Terwijl je beter nu 5 van de 25 mensen kunt ontslaan, dan straks alle 25.’

‘Ondernemers in de kinderopvang reageren soms te laat en te zacht’, zegt ook Van Osch. ‘Wij waarschuwen al sinds de zomer van 2011 dat de kinderopvang kwetsbaar is. Veel organisaties hebben een kleine buffer. In deze tijd heb je zo’n buffer wel nodig. Bij herstructurering bijvoorbeeld. Het ontslaan van mensen is niet alleen heel pijnlijk, maar kost ook geld. Ook als je vastgoed in eigendom hebt, duurt herstructureren lang.’

Schuldeisers

De grootste schuldeisers in de kinderopvang zijn het pensioenfonds, de fiscus en de verhuurder. Bij pensioenfondsen en bij de fiscus werken mensen met het hart op de juiste plek, vindt Van Osch. ‘Natuurlijk zijn ze zakelijk, maar je kunt met hen prima afspraken maken. Die moeten dan wel reëel zijn en met uitzicht op verbetering. De ondernemer moet een plan hebben en niet alleen maar wachten op betere tijden.’

Ook met verhuurders is het soms mogelijk om afspraken te maken. Van Osch: ‘In het vastgoed is de nood ook vaak hoog. Verhuurders zijn daarom coulanter dan twee jaar geleden. Ze weten dat als de huurder failliet gaat, ze moeilijk een nieuwe vinden.’

Toch hebben niet alle levensvatbare organisaties voldoende financiële middelen om problemen het hoofd te bieden. Bij het Waarborgfonds trekken iedere dag ondernemers aan de bel, omdat ze bijvoorbeeld zien dat ze de vakantiegelden in mei niet kunnen betalen, of de sociale lasten in juni. Soms op tijd, vaak ook te laat. Voor organisaties waar het Waarborgfonds geen borgstellingsrelatie mee heeft, kan Van Osch op dit moment weinig doen. Het fonds reserveert voor dit jaar 4,3 miljoen euro om mogelijke claims te dekken, maar heeft deze hele borgstellingscapacititeit al benut. Met het ministerie vindt er overleg plaats om de capaciteit uit te breiden, maar daar is op het moment van schrijven van dit artikel nog geen groen licht voor. Van Osch durft er ook niets over te zeggen.

Failliet

Voor ondernemers die niets meer kunnen regelen met schuldeisers rest niets anders dan een faillissement. Soms gaat daaraan surseance van betaling vooraf. De schulden worden dan tijdelijk bevroren en de bewindvoerder kijkt welke mogelijkheden er zijn. Dat gebeurt alleen als duidelijk is dat de inkomsten voldoende zijn. Toch lost surseance in op dit moment vaak weinig op. Meestal wordt daarna alsnog het faillissement uitgesproken.

Faillissement is in alle gevallen een pijnlijke situatie voor de ondernemer. Bij een eenmanszaak is hij of zij volledig aansprakelijk, ook privé. Bij een BV niet, mits… Van Osch: ‘Banken en ook wij kijken naar de geest van de organisatie. Bij een setting waarbij je kunt spreken over een persoonlijke organisatie wordt de ondernemer hoofdelijk aansprakelijk gemaakt. Dan is er geen verschil tussen een eenmanszaak en een BV waar het de borgstelling betreft. Ondernemers hebben daarvoor een contract ondertekend.’

Bij een faillissement gaat een curator vervolgens kijken hoe hij de maximale opbrengst voor de schuldeisers kan realiseren. Alle vermogensbestanddelen worden onder de loep genomen. Alles wordt verkocht. Een nadeel in deze tijd is dat vastgoed weinig oplevert. De curator kan ook naar privébezittingen kijken, zoals het huis en de auto.

Het meeste geld gaat vervolgens naar de fiscus en naar de banken. Een bank kan de restschuld claimen bij het Waarborgfonds. Het Waarborgfonds gaat na een eventuele uitbetaling van de claim de borg verhalen op de ondernemer. Van Osch heeft al aardig wat schrijnende situaties meegemaakt, van mensen die bijvoorbeeld vlak voor hun pensioen alles kwijt zijn. De afbetaling van hun schulden kan jaren duren. Van Osch is nu nog bezig met faillissementen uit 2006. Als er helemaal geen uitzicht is op afbetaling van de schulden kan de ondernemer onder de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen komen te vallen. Ondernemers in die situatie krijgen drie jaar lang slechts negentig procent van het bijstandsniveau en hebben geen zeggenschap over hun eigen geld. Het voordeel is dat ze daarna van hun schuld zijn verlost.

Overname

Soms zijn er nog mogelijkheden voor overname door een andere partij. Kroese: ‘Er komen wel eens mensen bij mij die willen stoppen en verwachten dat ze veel geld krijgen voor hun onderneming. Een paar jaar geleden kon je inderdaad nog verkopen voor een paar duizend euro per kindplaats. Maar die tijd is voorbij.’

Van Osch: ‘Schaalvergroting kan soms inderdaad een oplossing zijn. Als er bijvoorbeeld te weinig expertise is in de organisatie, of als er veel kostenbesparing te halen is in de overhead. Of als locaties samengevoegd kunnen worden, zodat twee halfvolle locaties één volle worden. Maar schaalvergroting is zeker niet de heilige graal.’

Soms is een doorstart na een faillissement een optie, omdat dat dan schulden gesaneerd zijn. Dat brengt ook rust bij ouders, kinderen en personeel, maar dan moet de curator wel de deuren open houden en de schuldeisers op afstand houden. Van Osch zet overigens wel vraagtekens bij de houding van sommige kinderopvangorganisaties, die hopen op een faillissement van de buurman, zodat zij de klanten kunnen overnemen. ‘Zakelijk begrijp ik dat wel’, zegt hij. ‘Maar het gaat voorbij aan de maatschappelijke rol die de kinderopvang ook heeft. Welke uitstraling heb je dan naar de buitenwereld, als je met flyers op de stoep staat bij de (bijna) failliete organisatie? En dat gebeurt echt. Misschien trek je die ouders dan wel, maar met welk gevoel komen ze bij je? En hoe stabiel zijn die klanten? We moeten af van de angstcultuur, angst voor de concurrent. Te veel ondernemers zeggen nog: het gaat hartstikke goed met mij, terwijl iedereen weet dat dat niet zo is. We kunnen het probleem beter collectief oppakken. Samen kijken wat de situatie in de wijk is, waar capaciteit te veel en waar te weinig is. En samen kijken welke rol je in de hele keten rondom het kind kunt spelen.’

Kinderopvang Terschelling maakt doorstart

‘Er zijn geen schulden, maar aan het eind van dit jaar is de kas leeg. Personeel en huur kunnen dan niet meer worden betaald’, zo meldde de Harlinger Courant op 30 november jl. Stichting Kinderopvang Terschelling, met twee locaties voor kinderopvang en twee peuterspeelzalen, ging in december failliet.
Stichting Kinderopvang Terschelling is de enige kinderopvangorganisatie op het eiland. Daarom benaderde de gemeente Terschelling zelf mogelijke overnamepartners, zoals Prokino. Prokino is voortgekomen uit de schippersinternaten en heeft meer dan 120 kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en centra voor buitenschoolse opvang, verspreid over heel Nederland. Daarnaast is Prokino actief in de geïndiceerde zorg. ‘Wij richten ons op de leeftijd 0 tot 23 jaar’, zegt directeur Xander Bezuijen. Voor Prokino waren er drie criteria bij de beoordeling of Terschelling in de organisatie past. ‘We willen invulling geven aan onze maatschappelijke doelstelling. Hier op Terschelling hebben we een belangrijke taak. Zonder kinderopvang vergrijst de gemeenschap. Een ander criterium is, dat we de locatie kunnen aansturen vanuit onze bestaande organisatie. Dat kan, omdat we een vestiging in Friesland hebben. En als derde criterium moeten we de vestiging financieel gezond kunnen maken.’
Ook dat laatste heeft Prokino kunnen regelen. Door het faillissement werd het huurcontract van het te grote pand ontbonden en ook het personeelsbestand kromp. Een locatie minder, en de overhead ondergebracht bij Prokino maakt dat de organisatie levensvatbaar kan zijn, volgens Bezuijen. ‘Een organisatie als op Terschelling is te klein om een eigen overhead in stand te houden. Zeker niet als de vraag fors terugloopt.’

Foto: ANP

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.