Blog Kirsten Fröhlich – Meer, bewuster en beter taalgebruik

Ben jij je al aan het voorbereiden op de verhoogde eisen aan het taalniveau van pedagogisch medewerkers? Heb je faalangst, dyslexie of voorzie je andere struikelblokken? Helemaal niet zo gek dat sommige pm’ers bang zijn dat ze de taaltoets niet zullen halen. Dat zegt overigens niets over hun kwaliteit in het werken met kinderen. Het zijn wellicht de beste en meest sensitieve pedagogisch medewerkers. Een hoger taalniveau, waar is dat nu eigenlijk voor nodig?

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Kirsten Frohlich.jpg

Voor de alledaagse opvang en begeleiding van kinderen en het contact met ouders voldoet het huidige taal niveau (2F) meestal prima. Maar hoe mooi is het als je de taal van een talig kind verder weet te verrijken en kinderen met een taalachterstand kunt ondersteunen? Vanuit jouw interesse in de belevingswereld van het jonge kind, kan je benoemen wat hij ziet en beleeft en maak je de wereld en zijn gevoelens overzichtelijk en veiliger. Dit heeft natuurlijk niets te maken met spelling of grammatica, maar wel met jouw vermogen woorden aan te reiken die passend en begrijpelijk zijn. Zo was ik eens op een peutergroep tijdens het tafelmoment. Een niet zo talige peuter gooide zijn hele lijfje in de strijd om duidelijk te maken wat hij op zijn boterham wilde. In plaats van te benoemen wat er in zijn  hoofdje omging en wat er allemaal op tafel stond, vroeg de leidster, wijzend naar de pindakaas en smeerkaas: ‘die of deze?’ Een gemiste kans.

Taal is verweven in al onze beroepsactiviteiten. Als pedagogisch medewerker ben je doorlopend aan het benoemen en expliciet maken wat je ziet en doet met de kinderen. Je luistert naar het gebrabbel van een baby en knikt hem aanmoedigend toe, je ontvang het verhaal van een kind dat net van school komt of herhaalt de vraag van een kleuter, zonder te corrigeren maar in correct Nederlands. Misschien help je met huiswerk, lees je een boek voor of krijg je te maken met een kind dat de taal (nog) niet goed beheerst. Net zoals je moet weten dat Parijs de hoofdstad van Frankrijk is, moet je weten hoe je een werkwoord vervoegt en spelt. Je schrijft een zorgplan, een kinddossier, geeft feedback aan collega’s of overlegt met ouders. Dat kunnen algemene gesprekken zijn, maar ook meer specifiek, bijvoorbeeld over ontwikkelingsachterstanden of opvallend gedrag. Goede beheersing van de taal en een ruime woordenschat is dan gewenst.

‘Waarom zeggen we zo vaak “goed zo” als een kind zijn jas ophangt of een bekertje op het aanrecht zet?’

Tegelijkertijd mogen we best wat zuiniger zijn met sommige woorden. Woorden als: ‘super’, ‘top’, ‘lieve schat’ en ‘goed zo’, worden in de kinderopvang te veel en te gemakkelijk gebruikt. Een kind dat naar school en de bso gaat, loopt de kans dat er op één dag door drie verschillende personen ‘lieve schat’ tegen hem wordt gezegd, of vijf keer ‘goed zo’.  Daardoor verliezen deze woorden aan betekenis. Daarnaast kan een woord als ‘schatje’ net zo gemakkelijk cynisch bedoeld zijn als liefdevol. En waarom zeggen we zo vaak ‘goed zo’ als een kind zijn jas ophangt of een bekertje op het aanrecht zet? Je complimenteert het kind niet omdat je het zo goed vindt dat hij een bekertje op het aanrecht zet, maar omdat je het fijn vindt dat het kind behulpzaam is. Zeg dat dan ook tegen het kind. ‘Fijn Tim, dat jij even meehelpt en zelf je beker opruimt.’ Dat komt heel anders binnen dan het zoveelste ‘goed zo’.  Vraag je collega maar eens wat jouw meest gebruikte woord op de groep is en probeer eens te turven hoe vaak je dat op een dag zegt. Als je taal meer en bewuster gebruikt, zal een kind zich beter en echt serieus genomen voelen.

De vorige keer schreef Kirsten over het belang van overdrachtsgesprekken met ouders. Naar de blog

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.