Werken met pedagogische doelen of leerdoelen?

Kinderopvangorganisaties werken met de pedagogische doelen van Riksen-Walraven. De voor- en vroegscholen werken met leerdoelen en 'output'. Beide doelen zijn vanuit het kindbelang verdedigbaar. Maar voor welk perspectief kies je als partner in vroeg- en voorschool, brede scholen of IKC?

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Werken met pedagogische doelen of leerdoelen?

In 2013-2014 had het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) een kenniskring over ‘Doorgaande lijn: noodzaak of nonsens?’. Experts uit praktijk, beleid en wetenschap bediscussieerden de actualiteit van dit thema. Voorjaar 2014 kreeg de Tweede Kamer een tussenrapportage over de pilot Startgroepen voor peuters. De pilot onderzoekt of peuters met een risico op een (taal)achterstand, beter af zijn in de leeromgeving van de basisschool. Ook is onderzocht of de startgroepen bijdragen aan een goede overgang naar en start in groep 1. Om dit te bereiken moeten voorschool en vroegschool samen optrekken.

Samenwerken aan gewenst resultaat vraagt allereerst om een gedeelde visie op wat goed en belangrijk is voor de ontwikkeling van kinderen. Kinderopvang en basisonderwijs hanteren hiervoor echter verschillende kapstokken. De vier pedagogische doelen van Riksen-Walraven zijn sinds de Wet kinderopvang verplicht voor de opvang. Onderwijs maakt gebruik van de SLO-leerdoelen. Wat nu? Ontaardt de samenwerking tussen voor- en vroegschool in een bloedgroepenstrijd tussen de kindvolgende kinderopvang en het doelgestuurde onderwijs?

Voor de meeste kinderopvangorganisaties is het eigen ontwikkelingstempo van een kind de maat. Hun doel is een ondersteunende kindvolgende omgeving bieden tot aan het ‘eerste leerjaar’, zonder externe sturing of remmende hapering. Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) richten zich op een optimale leerlijn. Zij vertalen de eindtermen van groep 8 naar tussentijdse ijkpunten, te beginnen bij peuters. Hun doel is effectgericht monitoren, toetsen en bijstellen van kunnen & kennen, zodat een knik of hapering tijdig voorkomen wordt. Voor welke aanpak kies je als partner in vroeg- en voorschool, brede scholen of IKC?

Twee perspectieven

Kinderopvang van goede kwaliteit heeft een toegevoegde waarde voor de ontwikkeling van ieder kind. Met een aanbod dat rijk is aan leerervaringen, speelt opvang een cruciale rol bij het voorkomen van ontwikkelingsachterstand. Goede opvang bevordert het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen en hun sociale ontwikkeling. Deze brede doelstelling is gespecificeerd in de vier pedagogische doelen van Riksen-Walraven: het bieden van emotionele veiligheid, het bevorderen van persoonlijke competentie, bevorderen van sociale competentie en het overdragen c.q. eigen maken van waarden en normen.

In het basisonderwijs zijn SLO-doelen maatgevend. Recent heeft SLO de (beheersings)doelen op drie ontwikkelingsgebieden uitgewerkt voor de peuterleeftijd (zie kader). VVE-medewerkers en leerkrachten van groep 1/2 weten nu aan welke aspecten van kunnen & kennen zij moeten werken om kinderen een goede start te geven in het eerste leerjaar. Zij kunnen verantwoorde keuzes maken voor een kwalitatief hoog aanbod aan jonge kinderen, zowel in situaties met achterstand als met een ontwikkelingsvoorsprong. SLO heeft de ontwikkelingslijn van peuters en kleuters in beeld gebracht door concrete ijkpunten te benoemen aan het begin van groep 1 en het eind van groep 2. Een kind dat voldoet aan de ijkpunten of hier ervaring in heeft opgedaan, kan met vertrouwen starten in groep 3.

De SLO-doelen richten zich op drie ontwikkelingsgebieden: taalontwikkelingslijn (mondelinge taalvaardigheid, ontluikende en beginnende geletterdheid en taalbeschouwing), rekenontwikkelingslijn (getalbegrip, meten en meetkunde in beeld), en de sociaal-emotionele ontwikkelingslijn (zelfbeeld en ontwikkeling van identiteit, ontwikkeling van zelfstandigheid, sociaal gedrag en ontwikkeling van sociale vaardigheden, werkhouding en concentratie).

Uitgangspunten

Met de doelen van Riksen en SLO lijken er verschillende uitgangspunten te zijn. Riksen geeft een kader voor het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen, terwijl de SLO-doelen fungeren als richtlijnen voor de ontwikkeling van kinderen. Maar zit hier inhoudelijk en op uitvoeringsniveau wel zoveel verschil in? Zowel Riksen als SLO richt zich op de kwaliteit van de leer- en ontwikkelomgeving. Beide geven aan dat het belangrijk is om de kwaliteit van het primair proces in te richten en te waarborgen aan de hand van vooraf bepaalde doelen. Ook nemen zij het effect voor het kind als vertrekpunt: het kind moet centraal staan in zijn ontwikkeling en bij het krijgen van steun bij de enorme groei die het doormaakt. Die groei ligt vast in de ontwikkelingspsychologie en geeft dezelfde basis voor beide kaders.

Overeenkomsten

Er zijn overeenkomsten als we beide doelen-kaders naast elkaar leggen. Het tweede Riksen-doel over persoonlijke competentie komt overeen met de rekenontwikkelingslijn en de taalontwikkelingslijn van SLO. Hierin wordt aandacht besteed aan cognitieve en taalvaardigheden van een kind. Ook zelfbeeld en zelfontwikkeling worden aangehaald als competentie in de sociaal-emotionele ontwikkelingslijn. Er moet gewerkt worden aan zelfstandigheid van de kinderen, en ook werkhouding en concentratie spelen een rol. Deze voorbeelden van persoonlijke competentie staan identiek geformuleerd bij Riksen.

Het derde Riksen-doel is gelegenheid bieden voor sociale competentie. SLO geeft hiervoor concrete voorbeelden, bijvoorbeeld bij taalontwikkeling: het voeren van gesprekken, mening uiten, vragen stellen, gesprekjes over taal, nadenken over taal en rekening houden met de gesprekspartner. Ook is hier een sterke verbinding met de sociaal-emotionele ontwikkelingslijn. Zowel Riksen als SLO besteden aandacht aan sociaal gedrag en het ontwikkelen van sociale vaardigheden. Het vierde Riksen-doel, het overdragen van normen en waarden, staat niet expliciet verwoord in de SLO-doelen. Deze zijn echter terug te lezen in de concrete doeluitwerking in de diverse ontwikkelingslijnen. Bepaalde regels die kinderen moeten kennen bij de reken-, taal- en sociaal-emotionele ontwikkeling zijn te linken aan het leren van normen en waarden: gespreksregels leren, hoe je je moet gedragen in een gesprek, hoe gedrag en woorden overkomen op andere mensen, hoe je met elkaar omgaat, enzovoorts.

Verschillen

Wij hebben ook twee verschillen opgemerkt. De SLO-doelen gaan meer specifiek in op de inhoud van het leren rekenen en het gebruiken van taal. Dat is ook voor kinderopvang handig en belangrijk, gezien de lage score op educatieve vaardigheden. En in de Riksen-doelen staat het bieden van emotionele veiligheid als meest basale pedagogische doelstelling voor ‘thuis, onderwijs en opvang’; dit weegt het zwaarst bij het beoordelen van kwaliteit van werken. De noodzaak van het bieden van emotionele veiligheid is niet opgenomen in de SLO-doelen. Voor werken aan welbevinden als voorwaarde voor betrokkenheid als voorwaarde voor leren, kan het onderwijs wat leren van de kinderopvang.

Het kind en zijn ontwikkeling vormen de gezamenlijke basis voor kindvolgende doelen en outputgestuurde doelen. De inhoud lijkt dus nauwelijks voeding te geven voor die ‘bloedgroepenstrijd’ tussen kinderopvang en onderwijs. In de discussie in de NJi-kenniskring ‘Doorgaande lijn: noodzaak of nonsens?’ over de veronderstelde verschillen, bleek het grote pijnpunt dan ook vooral het perspectief waar vanuit naar de doelenkaders werd gekeken.

Ethisch

Is het ethisch om een pedagogisch doel te vervangen door een meet- en ijkpunt voor wat een kind moet kunnen & kennen? Deze vraag verwoordt de angst voor en weerstand tegen een situatie waarin kinderen steeds jonger langs de meetlat worden gelegd. Loopt een kind achter of gaat het fout met hem als hij een vloeiende, maar iets tragere of afwijkende ontwikkelingslijn volgt dan de SLO-doelen beschrijven? Het feit dat steeds meer kinderen ‘doubleren’ in de kleuterklassen omdat ze niet voldoen aan de startkwalificaties voor groep 3, voedt die angst en weerstand. Met de SLO-doelen wordt een doorgaande leerlijn vastgelegd die loopt van ‘boven’ (groep 8) naar ‘beneden’ (groep 1 of VVE/startgroep). Een basisschool gaat uit van opbrengstgericht werken: om ‘bovenaan’ iets te bereiken moet er al van ‘beneden af’ op worden ingezet. Daarmee is ‘beneden’ primair de voorbereidende fase voor ‘boven’.

Door intensivering van samenwerken tussen voor- en vroegschool voelt de reguliere kinderopvang de dreiging dat zij binnenkort ook bij ‘beneden’ hoort. Het is begrijpelijk dat kindercentra zich niet zomaar laten wegzetten als een ‘beneden’-voorziening. De output van kinderopvang is dat een kind zich met welbevinden en vanuit betrokkenheid heeft kunnen ontwikkelen. Een kind dat bepaalde ontwikkelingsdoelen niet heeft gehaald en daarom niet in groep 1 mag instromen, is een gruwelbeeld voor iedereen in de kinderopvang. Vanuit het onderwijs is het juist onbegrijpelijk dat kindercentra niet zouden willen werken aan concrete doelen die passend zijn voor peuters. Handig toch, om houvast in je werk te krijgen? Daarbij betekent een kind dat met achterstand in groep 1 binnenkomt, extra inspanning om ‘van beneden naar boven’ te komen.

Doubleren is een dure grap.

Samenwerken aan een vloeiende ontwikkelingslijn kan voor kinderopvang en onderwijs in hoge mate vanuit een gedeeld doelenkader, maar wordt uitgezet vanuit een bijna tegenstrijdige optiek. Vragen als ‘Waartoe begeleiden wij een kind?’, ‘Wanneer leveren wij een goed aanbod?’, ‘Wat zien wij als effectief werken?’ moeten hoog op de agenda staan bij de samenwerkingspartners.

Open mind

De doelenkaders zijn als zodanig niet tegenstrijdig en beide werkvelden kunnen van elkaar leren als men met een open mind in het werk staat. Ondanks de verhitte discussies over de tegenstrijdigheid tussen kindvolgend en outputgestuurd zien wij de samenwerking tussen kinderopvang en basisonderwijs als essentieel voor het prettig opgroeien van jonge kinderen.

Josette Hoex is senior adviseur bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) op gebied van participatie en doorgaande lijn 0-13 jaar. Tessa Hooghuis is stagiaire van de Universiteit Utrecht / Maatschappelijke opvoedingsvraagstukken

Foto: Nationale Beeldbank

Wat zijn SLO-leerdoelen?

Een goede aansluiting van voor- naar vroegschoolse educatie en vervolgens een vloeiende overgang naar de schoolse situatie vragen om een goede afstemming vanuit leerplankundig perspectief. Daartoe heeft SLO (Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling) zogenaamde beheersingsdoelen ontwikkeld. De (beheersings)doelen taal en rekenen zijn afgeleid van de referentieniveaus die sinds augustus 2010 van kracht zijn in het basisonderwijs. Met deze doelen kunnen voorschoolse instellingen en scholen hun doorgaande lijn versterken en op die manier een bijdrage leveren aan het verlagen van de onderwijsdrempels. Deze doelen van SLO helpen peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en scholen bij het implementeren van de referentieniveaus taal en rekenen. Het doel is om het inhoudelijk repertoire van pedagogisch medewerkers en leerkrachten te vergroten c.q. te versterken zodat zij inhoudelijk verantwoorde keuzes kunnen maken en uitvoeren om een kwalitatief hoog aanbod aan jonge kinderen te bieden, zowel aan kinderen met een achterstand als aan kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong. Op verzoek van het Ministerie van OCW zijn er voor drie ontwikkelingsgebieden doelen ontwikkeld en verder uitgewerkt, namelijk voor taal, voor rekenen en voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Deze doelen brengen de ontwikkelingslijn van kinderen van 2 tot 7 jaar in beeld. SLO heeft in kaart gebracht wat kinderen aan het begin van groep 1 (eind van de peuterspeelzaal/kinderdagverblijf) en aan het eind van groep 2 bereikt zouden moeten hebben, dan wel ervaring in moeten hebben opgedaan, om uiteindelijk met vertrouwen te kunnen starten in groep 3. [Bron: SLO]

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.