De WRR en de kinderopvang

De WRR geeft in het 90e rapport haar visie op de toekomst van de economie. Dit rapport gaat dus ook over ons, de werkgevers in de kinderopvang! Een goede aanleiding om na te denken over het aanbod dat wij kinderen bieden in hun most formative years, en over de scholing en ontwikkelingskansen van de jonge werknemers die wij in ons werkveld opnemen.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
De WRR en de kinderopvang

In oktober 2013 publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het rapport Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland. De regering, bij monde van ministers Bussemaker en Kamp, gaf aan niet door de inhoud verrast te zijn. Belangrijker is natuurlijk wat ondernemers, óók die uit de kinderopvang, met de conclusies uit dit rapport doen. Kijken wij mee naar de toekomst waarvan we deel gaan uitmaken, nemen we zelf deel aan de zoektocht, of zijn we daarvoor te druk met de dingen die we al doen, vanuit ons vertrouwde perspectief?

In hoofdstuk 9 van het rapport wordt uitgelegd hoe het verdienvermogen van Nederland afhangt van de manier waarop het onderwijs vorm krijgt. Er wordt verwezen naar vele studies die aantonen dat investeren in jonge kinderen loont. Natuurlijk zijn er altijd politieke beleidsmakers die beweren dat rapporten slechts een mening vertegenwoordigen, maar met het aanhalen en onderschrijven van deze studies door de WRR wordt hun stem veel zwakker. Dat is goed nieuws voor ons werkveld.

Ontwikkeling versus Onderwijs

In grote delen van Nederland is er onbekendheid met de essentie van ons vak, zo maakt het rapport verder duidelijk. Enerzijds is het fijn dat wij genoemd worden aan het begin van de ontwikkelketen. Op die plek hoort professionele kinderopvang immers thuis. Anderzijds is er het gevaar dat beleidsmakers zich gesterkt voelen om het educatieve werkmodel, dat thuishoort in het primair onderwijs, gemakshalve ‘naar beneden toe’ te verlengen. Woordkeuze is hier wel degelijk van belang: Ontwikkeling bieden is niet hetzelfde als (groepsgewijs) onderwijs geven. De effectiviteit van VVE-programma’s staat niet voor niets nog steeds ter discussie.

Wij moeten derhalve dringend duidelijker maken dat ons werkmodel wel ontwikkelingsgericht is, maar niet op een schoolse manier.

Waarom zo’n statement nodig is? Omdat de toekomst van ons werkveld niet enkel vormgegeven mag worden door lokale, ‘goedbedoelende onderwijsverlengers’. Die kans is aanwezig, zeker in gemeenten waar de wethouder van onderwijs al heel lang door dezelfde partij geleverd wordt. Vanuit hun perspectief valt een aantal kansen samen: het dalend aantal kinderen geeft budgetdruk op basisscholen, IKC’s bieden een one-stop shop voor ouders, achterstands- kinderen komen meer onder ‘toezicht’ van het primair onderwijs. Het primair efficiënt regelen van scholing staat niet garant voor het kiezen van de juiste vorm van aanbod. Dat is al eerder gebleken, toen kleuter- en basisscholen samensmolten: kleuters zijn door die fusie niet op alle punten vooruit gegaan.

Individuele ontwikkeling

Álle ouders zijn gebaat met meerdere vormkeuzes voor goede kinderopvang, die flexibel aan te passen is aan hun eigen, ook steeds wijzigende, gezins- en werksituatie. Dat vereist dat er naast IKC’s ruimte blijft voor ander ontwikkelend aanbod voor kinderen, mits de kwaliteit transparant en goed geborgd is. De maatschappij wordt steeds diverser en keuze uit slechts 1 modelletje was in ons land al nooit populair. Hoe kunnen aanbieders meer op de individuele mogelijkheden van de klant inspelen? Wat hebben we bijvoorbeeld extra te bieden voor een talent? Niet alleen in de rijkere buurten, maar overal? Hoe gaan wij ruimte maken in ons hoofd en dat van onze leidsters om te kunnen en wíllen zien waar een kind knap in is, als het afwijkt van het groepsgemiddelde? Hoe gaan wij voorkómen dat we alle kinderen door één taal- en rekenformat moeten duwen omdat er nu nog gedacht wordt dat we ze daarmee in hun ontwikkeling helpen? Geen eenvoudige vraag, maar ondernemers zijn creatief en WRR 90 biedt nóg een kans

Vakbekwaamheid

inderopvangondernemers hebben met elkaar zo’n 89.000 werkneemsters in dienst en er zijn zo’n 40.000 geregistreerde gastouders actief. Voor beide groepen professionals geldt, dat zij nu alleen maar initieel beroepsonderwijs hoeven en kúnnen volgen. Zij komen startbekwaam ons werkveld binnen, waar zij dan op de en of andere manier, maar niet aantoonbaar, tot vakbekwaamheid moeten komen. Dat is vreemd, want de opbrengst van kinderopvang wordt voornamelijk bepaald door de kwaliteit van de professional. En toch hebben wij in onze sector geen systeem van branche-erkende nascholingen of toetsing, zoals die elders wel bestaan. Is dat óns probleem? Misschien niet, als een politieke meerderheid van mening is, dat het huidige systeem van kinderopvang genoeg opbrengt voor de hoofdsponsor: de Nederlandse belastingbetaler – en voor de directe gebruikers: ouders en kind.

Persoonlijke talentontwikkeling

Anderzijds: misschien is het wèl ons probleem. Welke opbrengst mag van onze sector verwacht worden, wat is onze maatschappelijke bijdrage – en wat kan die zijn? Wíj claimen deskundigheid, gebaseerd op praktijktoepassing van pedagogiek en ontwikkelingspsychologie. Als WRR 90 aangeeft, dat burgers van élke leeftijd in de toekomst meer kans moeten krijgen om zijn/haar eigen talent te ontdekken en te ontwikkelen, dus ook de jongsten, hebben wij daar dan een antwoord op? Kan onze workforce dat nu al leveren? Dat lijkt mij zeer de vraag.

Als wij gaan verwachten dat onze workforce meer kan differentiëren in aanbod, dan kan dat ondersteund en zichtbaar worden door een variëteit aan nascholing, af te sluiten met toetsing en branche-erkende certificaten. Niet iedere professional hoeft álles te weten of te kunnen: wij bieden ruimte voor persoonlijke voorkeuren en talenten. Maar: de certificaten dekken samen wel ons gehele werkveld af. Dat geeft een tweeledige opbrengst: de professional ontwikkelt zich verder, in overleg en naar eigen voorkeur, en het kind kan beter ‘gezien’ worden en beter en breder gesteund worden in de persoonlijke talentontwikkeling. Ontwikkelingsgericht werken, voor professionals en voor het kind, wordt de essentie van ons werk.

Samen de rekening delen

De opbrengsten van zo’n investering komen ten goede aan diverse belanghebbenden. Aan de klant in zijn rol van primair verantwoordelijke opvoeder; aan de professional, die haar employability op peil houdt; aan de kinderopvang-aanbieder, die aansprakelijk is op kwaliteit van aanbod; aan de overheid als vertegenwoordiger van de Nederlandse samenleving van de toekomst. Dan lijkt het ook fair dat zij samen de rekening voor die extra nascholing als kwaliteitsinvestering delen. Let’s go Dutch!

Constance Jacobson is voorzitter van het NIGOS

www.wrr.nl/publicaties/ samenvattingen/naar-een-lerende-economie

Foto: Nationale Beeldbank

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.