Blog Kirsten Fröhlich – Vluchtelingenkinderen

Ze huilden nooit, niet bij het afscheid van pappa of mamma, niet bij een volle luier of lege maag. Ze hadden geen fopspenen, knuffeltjes of lievelingsdoekjes en vielen plotseling in slaap in een gammele buggy, op de grond of op mijn arm. Van hun dagritme had ik geen idee, van hun achtergrond al even min.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Blog Kirsten Fröhlich - Vluchtelingenkinderen

Ze kwamen heel onregelmatig en soms waren ze van de ene op de andere dag verdwenen. Terug naar Irak, Somalië of een andere brandhaard in de wereld. Ze maakten nauwelijks oogcontact, droegen vaak ’s morgen de luier van de vorige avond nog en hadden smoezelige, niet bij elkaar passende kleertjes aan. De communicatie met hun ouders verliep moeizaam. Als ik er al eentje sprak, bleef het vaak bij ‘oké, oké’ en ‘Alhumdulilah’ of ‘God bless you…’

In de jaren negentig ving ik vluchtelingenkinderen op in de crècheruimte van de kerk in het dorpje Meerkerk. De ouders van de kinderen mochten, in afwachting van hun asielprocedure, iedere ochtend Nederlandse taallessen volgen. Soms waren er maar drie kinderen, soms dertien of meer. De leeftijden varieerde van een paar weken tot en met vijf jaar. In de schoolvakanties kwamen er ook oudere kinderen bij. Zo kwam ik soms, via een ouder broertje of zusje, meer te weten over de trauma’s die deze kinderen op jonge leeftijd al hadden meegemaakt.

‘Hij had zijn nagels tot bloedens toe afgebeten en werd geplaagd door nachtmerries’

Bijvoorbeeld de vijfjarige Salima, die bijna iedere dag werd gebracht, maar nog nooit iets had gezegd. Haar grote zus, die na een half jaartje op de basisschool al bijna vloeiend Nederlands sprak, vertelde me over de bomaanslagen op hun dorp in Irak. Tijdens hun vlucht raakte ze in de chaos en paniek Salima’s tweelingzusje Salma kwijt. Sindsdien was Salima gestopt met praten.

Yohannes, een tenger jongentje van acht uit Eritrea, tekende huizen die in brand stonden en poppetjes die halve armen en benen misten. Hij had zijn nagels tot bloedens toe afgebeten en werd geplaagd door nachtmerries. Hij begroef alle boerderijdieren in de zandbak en dook ineen als er een vliegtuig overvloog. Zijn broertje Habton van drie, die nog altijd alleen melk uit een flesje wilde drinken en speelgoed enkel gebruikte om mee te gooien, had een doffe blik in zijn ogen. Ogen die mij de hele ochtend volgenden, maar die, als ik iets tegen hem zei of te dicht in zijn buurt kwam, angstig wegdraaiden.

‘Natuurlijk kunnen wij de crisis in de wereld niet oplossen. Maar laten we doen wat we wel kunnen en waar we goed in zijn’

Vluchtelingenkinderen hebben noodgedwongen alles achter moeten laten; hun thuis, vriendjes en vriendinnetje en vaak ook een ouder, een broertje of zusje… Na een lange, uitputtende en meestal levensgevaarlijke reis, komen ze hier. Alles is anders; de mensen, de geuren, het eten, de taal.

Daarom vond ik het initiatief van de kinderopvang Waterland zo inspirerend. Zij zette op de woensdagmiddag hun deuren open voor vluchtelingenkinderen. Ik hoop dat vele kindercentra dit voorbeeld zullen volgen. Natuurlijk kunnen wij de crisis in de wereld niet oplossen. Maar laten we doen wat we wel kunnen en waar we goed in zijn. Wij weten immers als geen ander wat jonge kinderen nodig hebben om zich veilig en thuis te voelen.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.