‘Spel van jonge kinderen serieuzer nemen’

Jonge kinderen leren anders dan oudere kinderen. We moeten het spel van jonge kinderen veel serieuzer nemen, zegt de kersverse lector Jonge Kind aan de Hogeschool iPabo in Amsterdam.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Speleon is een rijke speel-leeromgeving voor jonge kinderen pedagogisch medewerkers workshops kunnen volgen.
Speleon is een rijke speel-leeromgeving voor jonge kinderen pedagogisch medewerkers workshops kunnen volgen. - Foto: Photo Child

Ze studeerde Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, promoveerde op het onderwerp taalverwerving bij jonge kinderen en belandde daarna op de Hogeschool iPabo in Amsterdam. Sinds dit jaar is Annerieke Boland (40, moeder van vier zonen, van wie de jongste twee vijf jaar zijn) lector aan de iPabo.

Staat bij de meeste pabo’s de aandacht voor jonge kinderen in de kinderschoenen, de iPabo is een zogenoemd Expertisecentrum Jonge Kind en werkt daarbij samen met de Vrije Universiteit Amsterdam. Bovendien huisvest de iPabo het Speleon, een rijke speel-leeromgeving voor jonge kinderen waar allerlei workshops plaatsvinden voor kleuterleerkrachten en pedagogisch medewerkers. Hier observeren studenten ook peutergroepen en hun leidsters. Kinderdagverblijven of peuterspeelzalen kunnen er terecht voor advies. Ze komen een ochtendje spelen en krijgen tips voor de problemen die ze ervaren.

Een lectoraat Jonge Kind, betekent dat dat de studenten van de iPabo voldoende kennis hebben van het jonge kind?

‘Het gaat steeds beter. Onze studenten kunnen zich in de laatste fase van hun opleiding specialiseren in kleuters. Ze hebben dus in ieder geval een jaar met kleuters gewerkt. Maar wat mij betreft mag die specialisatie nog wel wat langer. We moeten af van die heel brede pabo-opleiding.’

Wat is er zo specifiek aan het leren van jonge kinderen?

‘Jonge kinderen leren in informele situaties. Ze leren niet om het leren, maar door te doen. Ze leren spelend, in een betekenisvolle context, waar het leven zelf centraal staat. Dus in een huishoek of tijdens het samen klaarmaken van het eten. Het ‘doen alsof’-spel is voor kinderen heel belangrijk. Bij het imiteren van de wereld van de volwassenen leren kinderen over levensechte situaties en dat leidt ook weer tot de wereld van cijfers en letters. Dus niet letters leren tijdens een lesje aan een tafeltje. We moeten het spel veel serieuzer nemen. Dat betekent overigens niet dat je als leerkracht of pedagogisch medewerker geen leersituaties kun creëren. Wat er in die huishoek ligt, heeft de pedagogisch medewerker er expres neergelegd.’

Hoe creëren ze nog meer een leersituatie?

‘In de eerste plaats dus door te zorgen voor die rijke, stimulerende leeromgeving, waar kinderen zelf initiatief kunnen nemen. Daarbij is ook de interactie met de volwassene ontzettend belangrijk. Die moet ervoor zorgen dat er echte gesprekken op gang komen. Door bijvoorbeeld mee te spelen en zich in te leven in de kinderen. Door niet van het ene groepje naar het andere, van de ene plek naar de andere te lopen. Zoals ook uit het onderzoek van Elly Singer blijkt: langer stilzitten. Echt in gesprek gaan, luisteren, langer stil zijn en als je vragen stelt, stel dan vragen die tot denken aanzetten en waarvan je zelf ook het antwoord niet weet. Daar besteden we in onze didactiek en onze nascholing ook veel aandacht aan. Veel leerkrachten hebben de neiging om zelf te veel aan het woord te zijn.’

Leerkrachten moeten nog veel leren op dit gebied. Hoe zit het met pedagogisch medewerkers?

‘Uit het NCKO-onderzoek blijkt dat ook bij pedagogisch medewerkers de interactievaardigheden nog verder ontwikkeld kunnen worden. Idealiter weten zij hoe je bij kinderen spel kunt uitlokken, hebben ze veel kennis van de verschillende stadia van ontwikkeling bij kinderen en kunnen ze die duiden. De taak van pedagogisch medewerkers is de ontwikkeling van de verschillende gebieden te stimuleren door rijke activiteiten aan te bieden, in de breedte. Ze zullen tot een beredeneerd aanbod moeten komen. Bij sommige kinderopvangorganisaties gebeurt dat, maar ik zie ook nog wel dat kinderen erg weinig leiding krijgen, te erg vrij gelaten worden. Ook pedagogisch medewerkers zijn niet altijd even sterk.’

Is werken met een VVE-programma de oplossing?

‘Uit Amerikaans en Engels onderzoek naar VVE, dat al twintig tot dertig jaar loopt, blijken goede resultaten. Maar belangrijk is natuurlijk dat je je afvraagt wat de opbrengsten moeten zijn. Moeten kinderen klaar zijn voor groep 3 of willen we dat ze hun totale persoonlijkheid ontwikkelen? Dat ze om kunnen gaan met allerlei kinderen, dat ze emotionele ervaringen hebben. Creatie, humor, volharding zijn heel waardevol, maar het zijn geen vaardigheden die Cito meet. Wat in ieder geval niet goed werkt, en wat we nog te veel zien in de kleuterklassen en ook in de voorschool, zijn formele leersituaties. Leeractiviteiten in een veel te grote groep, met alleen een cognitief doel. Met de hele groep in een kring is zinvol als je de sociale cohesie wil versterken, maar niet geschikt om het taaldenken te stimuleren. Dat moet je in kleine groepjes doen van hooguit twee, drie of vier kinderen. En dan niet de kinderen uit hun spel halen, maar juist meegaan in het spel dat gaande is. De pedagogisch medewerker doet mee met wat de kinderen spelen in de zandtafel en stimuleert in die context de taal. Bijvoorbeeld door begrippen als hoger, meer, minder, glad. En daar kan ze dan weer andere kinderen bij betrekken.’

Dat klinkt in theorie logisch en ook wel bekend. Maar waarom lukt dat dan vaak niet?

‘Dat moeten pedagogisch medewerkers zich inderdaad afvragen. Als dit is wat we willen, hoe komt het dan dat we het niet doen? Wat zit ons in de weg? Met die vraag melden voorscholen en kleutergroepen zich bij ons. Video-opnames of begeleiding van buitenaf kunnen soms helpen om uit te vinden waar de blokkades zitten. Dat kan bijvoorbeeld aan de ruimte liggen. Kinderen kunnen bijvoorbeeld niet zelf hun spullen pakken. Soms is de ruimte te vol. Je kunt je dan afvragen of het eten en drinken echt aan een grote tafel moet. Kan dat niet ook op het stoeltje? Soms is het ook een kwestie van een andere taakverdeling: de een doet de verzorging en de ander begeleidt het spel. Die kijkt wat er gebeurt of speelt mee met kinderen die moeilijk tot spel kunnen komen. Dan kun je sensitiever worden voor de kinderen, zodat ze zich gehoord en gezien voelen, dat vermindert ook de stress bij jezelf. De aanwezigheid van een volwassene bij het spel brengt rust voor de kinderen. Als ze bevestigd worden in wat ze doen, raken ze meer betrokken en vertonen ze minder problematisch gedrag.’

U zegt: gedragsproblemen op latere leeftijd voorkom je met een investering in de voor- en vroegschoolse periode.

‘Ja, absoluut. Groepen van dertig kinderen in een kleuterklas vind ik verwaarlozing van het jonge kind. Zorgelijk vind ik ook de steeds wisselende groepen in de kinderopvang. Het is belangrijk voor het gevoel van veiligheid dat kinderen de andere kinderen goed kennen, dat ze een verbond voelen. Het zou mooi zijn als ze in de kinderopvang voor vaste combinaties van dagen kunnen zorgen, zoals ook in de peuterspeelzaal gebruikelijk was. Zorg ervoor dat kinderen elkaar zo vaak mogelijk zien. De verwaarlozing van het jonge kind zorgt voor klachten over gedrag op latere leeftijd.’

‘Groepen van dertig kinderen in een kleuterklas vind ik verwaarlozing van het jonge kind’

Speleon is een rijke speel-leeromgeving voor jonge kinderen waar allerlei workshops plaatsvinden voor kleuterleerkrachten en pedagogisch medewerkers

Auteur: Astrid van de Weijenberg

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.