Serie: toezichthouders en de strijd tegen kindermishandeling (dl. 2)

Jaarlijks hebben zo’n 120.000 kinderen te maken met kindermishandeling of huiselijk geweld. De kinderopvang is een belangrijke vindplek. Welke vragen kun je verwachten van de toezichthouder tijdens een inspectie? In deel 2: het toezicht op en het gebruik van de meldcode.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
iStock

‘Het tegengaan van kindermishandeling en huiselijk geweld is een enorme verantwoordelijkheid. Kinderdagverblijven horen hiervoor niet alleen de verantwoordelijkheid te dragen en kunnen daarbij alle ondersteuning gebruiken die nodig is, ook vanuit het toezicht op de kinderopvang’, dat schrijven Maryse Nijhof-Broek (toezichthouder kinderopvang GGD Hollands Midden) en Janneke Schalkwijk (toezichthouder kinderopvang GGD Amsterdam), auteurs van de handleiding die zij speciaal voor toezichthouders schreven over het toezicht in de kinderopvang en de strijd tegen kindermishandeling. De handleiding wordt gebruikt als basis voor deze serie, om te leren van elkaar. Want samen gaan we de strijd tegen kindermishandeling aan.

Toezicht meldcode

In het tweede deel van deze serie gaan we in op het toezicht op de meldcode. Toezichthouders controleren op twee manieren wat een kinderopvangorganisatie doet binnen de strijd tegen kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag:

  1. Toezichthouders controleren of de meldcode bekend is en in voorkomende gevallen gebruikt wordt. Het is ook mogelijk dat er soortgelijke protocollenzijn waarin de werkwijze beschreven staat met betrekking tot het signaleren en handelen bij kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag.
  2. Daarnaast wordt gecontroleerd of het management de kennis en het gebruik van de meldcode bevordert.

Afwegingskader

Om pedagogisch medewerkers te helpen bij het bepalen of er sprake is van vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling, is per 1 januari 2019 de bestaande meldcode vernieuwd: er is een afwegingskader toegevoegd. Bij vermoedens van acute en structurele onveiligheid is melden bij Veilig Thuis verplicht.

Protocol

Wanneer er geen sprake is van acute of structurele onveiligheid kan de pm’er de ouder of opvoeder ondersteunen, waarbij eventueel kan worden doorverwezen naar externe hulp. Om de sector te helpen met het toepassen van de verbeterde meldcode heeft BOinK, in samenwerking met de BK, de BMK en Sociaal Werk Nederland, een brochure ontwikkeld. Toezichthouders zien tijdens inspecties dat deze brochure veelvuldig wordt gebruikt in de kinderopvang.

Angst

‘Onder professionals heerst vaak angst om opvoeders aan te spreken op hun handelen. Redenen die genoemd worden door beroepskrachten tijdens inspecties zijn bijvoorbeeld: “Wat weet ik er nu van, ik zie niet het hele plaatje en ouders doen hun best” of: “Ik ben bang dat ze heel boos op me worden”, “wat ik ook probeer, ze begrijpen me toch niet” (bijvoorbeeld door een taalbarrière), “er komt al iemand langs in het gezin om ze te ondersteunen dus dat zal wel genoeg zijn” of er is een angst voor ouders die hoger opgeleid zijn dan zij zelf zijn.’

Buitenschoolse opvang

‘In de buitenschoolse opvang voelen medewerkers zich soms onvoldoende in staat om gesprekken aan te gaan over zorgen, omdat zij kinderen vaak maar drie tot zes uur in de week zien. De angst en onzekerheid om het gesprek aan te gaan zorgt ervoor dat een potentieel levensbedreigende thuissituatie voor deze kinderen onveranderd blijft. Daarnaast blijkt ook dat een deel van de professionals onvoldoende opgeleid is en ondersteund wordt om signalen op te vangen, een gesprek met ouders aan te gaan en om vervolgens aan de hand van het afwegingskader te bepalen of er een melding moet worden gedaan bij Veilig Thuis. (Vervolgens bepaalt Veilig Thuis of er daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling.) “Er is veel behoefte aan handvatten, trainingen en ondersteuning bij de gesprekken met ouders over dit onderwerp.” Dit werd in 2016 geconstateerd in het rapport Durven signaleren van de GGD Amsterdam en lijkt in 2019 nog steeds een belangrijk aandachtspunt.’

Vragen toezichthouders

Hoe krijgen toezichthouders een goed beeld van de kennis en kunde binnen de kinderopvangbranche? In de handleiding worden de volgende voorbeelden genoemd van vragen die toezichthouders kunnen stellen om zicht te krijgen op hoe goed professionals in staat zijn om te kunnen signaleren en handelen in geval van zorgen:

Vragen aan beroepskrachten:

– Heb je wel eens zorgen over een kind? (Niet: Heb je wel eens zorgen over kindermishandeling of gebruik je de meldcode weleens?)
– Wat doe je als je zorgen hebt over (de ontwikkeling) van een kind? Hoe handel je?
– Je kunt er ook voor kiezen om voorbeelden te geven zoals ‘zijn er bijvoorbeeld kinderen van ouders die in (vecht)scheiding liggen en ben je op de hoogte van de thuissituatie?’ of ‘wat doe je als een dronken ouder zijn kind op haalt?’.
– Hoe signaleer je? Wat voor observatiesysteem hanteer je en hoe vaak observeren jullie? Hoe documenteer je dit? (Niet alle beroepskrachten en managers zijn er van op de hoogte dat zij hun handelen moeten kunnen verantwoorden indien er bijvoorbeeld in het ergste geval later iets met het kind gebeurt). Is het dossier beveiligd?
– Wie gaat het gesprek met ouders aan? Doe je dat ook zelf als beroepskracht? Wanneer ga je het gesprek met ouders aan? Doe je dat alleen? Wat voor soort adviezen geef je bijvoorbeeld?
– Hoe geef je vervolg aan het gesprek? Maak je afspraken met ouders? Worden deze afspraken schriftelijk vastgelegd? Wie controleert of de afspraken worden nagekomen?
– Wat doe je als het gesprek niet goed verloopt?
– Wat doe je als de zorgen blijven bestaan?
– Win je wel eens advies in? Waar en wanneer doe je dit?
– Hoe zorg je voor de juiste informatie? Waar haal je informatie vandaan?
– Verwijs je ouders wel eens door naar andere instanties? Welke zijn dat?
– Bij wat voor signalen ga je actie ondernemen en wat voor actie dan?
– Wat voor trainingen of workshops krijg je aangeboden in de organisatie om te zorgen dat je goed in staat bent om te signaleren en handelen in geval van zorgen?

Vragen aan de manager of de aangestelde aandachtsfunctionaris:

– Wat doe je als een beroepskracht met zorgen om een kind komt? Wanneer gebeurt dit? Kan een beroepskracht hier tussendoor mee komen of wacht dit tot een teamoverleg?
– Leg je de signalen vast? Hoe doe je dit? Wordt bijvoorbeeld het observatieformulier uit de Meldcode gebruikt en naast de signalenlijst gelegd?
– Wat spreek je vervolgens af met de beroepskracht?
– Bij welke gesprekken ben je aanwezig? Bij allemaal of bijvoorbeeld bij een vervolggesprek
– Hoe ga je het gesprek aan met ouders als er zorgen zijn en kun je hier een voorbeeld van geven?
– Maak je afspraken met ouders? Worden deze schriftelijk vastgelegd? Wie controleert of de afspraken worden nagekomen?
– Heb je wel eens iets kunnen betekenen in de ondersteuning van een gezin? Hoe ondersteunen jullie ouders die aangeven dat ze het even niet meer aankunnen. Kun je hier concrete voorbeelden van geven?
– Wat doe je als de zorgen blijven? Hoe snel zet je een vervolgstap (hoeveel tijd zit er tussen stappen in?)
– Bij welke instanties zoek je hulp of advies?
– Verwijs je ouders wel eens door en hoe houd je een vinger aan de pols na deze doorverwijzing?
– Hoe zorg je ervoor dat de beroepskrachten goed in staat zijn om te signaleren? Of: hoe coach je beroepskrachten in het gebruik van de meldcode? Welke kennis of cursussen bied je ze aan?
– Hoe zorg je ervoor dat je zelf op de hoogte bent van de laatste ontwikkelingen op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling? En dat je voldoende kennis en kunde hebt in het gebruik van de meldcode?
– Wanneer wordt de meldcode besproken? Is dat eens per jaar of standaard onderdeel bij kindbesprekingen?
– Als er wel eens contact is geweest met Veilig Thuis of als er wel eens een melding is gedaan: hoe is dat gegaan? Zou je dat nog eens (zo) doen of zou je het dit keer anders aanpakken? Heb je vaste contactpersonen binnen Veilig Thuis?

Conclusies trekken en benoemen

In deel 3 van deze serie gaan we in op hoe de toezichthouder naar aanleiding van de antwoorden op genoemde vragen conclusies trekt en deze benoemt richting de manager. De toezichthouder schrijft de conclusies op in het inspectierapport. Ook komt de rol van Veilig Thuis aan bod. Deel 3 verschijnt in week 46.

Deze serie wordt gepubliceerd in aanloop naar de Week tegen Kindermishandeling 2019, die plaatsvindt van 18 tot en met 24 november. Het thema dit jaar is: Leren van elkaar. Tijdens deze week kun je als professional deelnemen aan allerlei activiteiten (workshops, lezingen enzovoorts), om eigen kennis en kunde te vergroten. Lees meer

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.