Kritische vragen over het opendeurenbeleid

Met een opendeurenbeleid kun je de belevingswereld van kinderen letterlijk vergroten. Maar je kunt het niet zomaar doen. Wanneer kies je wel/niet voor een opendeurenbeleid? En hoe communiceer je hierover met ouders en de oudercommissie?
Opendeurenbeleid.jpg
Foto: Kristina Stedul Fabac / PIXSEL

Belangenvereniging BOinK bracht afgelopen najaar een brochure over het thema opendeurenbeleid in de kinderopvang uit. De brochure richt zich op ouders. Waar moeten zij alert op zijn als hun kinderopvanglocatie kiest voor open deuren? Welke kritische vragen zijn erover te stellen? Dit is te lezen in de brochure ‘Opendeurenbeleid’.

Pedagogisch beleidsplan

Eerst wordt uitgelegd wanneer er sprake is van een opendeurenbeleid. Dit is pas zo als kinderen van verschillende groepen zich in andere ruimtes kunnen bewegen en samen een activiteit kunnen ondernemen. Het programma voor de activiteiten wordt door de pedagogisch medewerkers opgesteld en moet onderdeel van het dag- of weekprogramma zijn. Kinderen moeten erop kunnen rekenen. Als een organisatie kiest voor een opendeurenbeleid, zou dit terug te lezen moeten zijn in het pedagogische beleidsplan.

Wennen

De deuren af en toe openzetten heeft meerdere voordelen, maar BOinK wijst ouders ook op de risico’s zodat ze hierop alert kunnen zijn. Zo moeten pm’ers kinderen wel laten wennen aan de ruimtes en hen, zeker in het begin, begeleiden. Ook moet er nagedacht zijn over een goede communicatie tussen pm’ers onderling. Als ouders hun kind aan het einde van de dag komen ophalen, moeten zij wel bij hun vaste pm’er terecht kunnen om informatie over hun kind in te winnen.

Bso

Voor baby’s is het opendeurenbeleid helemaal niet geschikt. Alleen als kinderen zich lopend kunnen verplaatsen heeft zo’n beleid zin. Maar ook voor dreumesen en peuters raadt BOinK maximaal twee keer per dag een uurtje aan. Voor schoolkinderen is een opendeurenbeleid bijna altijd aan de orde. Zij beginnen de dag in een eigen stamgroep, maar waaieren daarna vaak uit over het gebouw. Toch waarschuwt BOinK dat ook op de bso goed moet worden gekeken naar het kind. Sommige kinderen zijn te verlegen of net nieuw en voelen er (nog) niks voor om hun vertrouwde ruimte en pm’er te verlaten. En er is een groep kinderen dat gebaat is bij structuur. Hier moeten pm’ers alert op zijn.

Welke kritische vragen kunnen ouders of kan de oudercommissie stellen over het opendeurenbeleid? BOinK zette de belangrijkste op een rij. Wij maken daaruit een selectie:

  • Wordt de oudercommissie om advies gevraagd zodra er verandering plaats vindt met betrekking tot de groepen en het opendeurenbeleid?
  • In hoeverre kunnen kinderen kiezen in welke ruimte en met wie ze spelen? Of is het een kwestie van moeten?
  • Hoe wordt er omgegaan met buitenspelen? Mogen kinderen ook met een klein groepje of individueel naar buiten (of juist naar binnen?)
  • Hoe zorgt de beroepskrachten ervoor dat de situatie voor kinderen nog te overzien is?
  • Hoe zorgen de beroepskrachten ervoor dat de situatie voor baby’s veilig, rustig en overzichtelijk blijft?
  • Hoe zorgen de beroepskrachten dat zij zicht houden op alle kinderen in het gebouw? En buiten?
  • Hoe is de verantwoordelijkheid geregeld? Welke beroepskracht is voor welk kind verantwoordelijk tijdens het opendeurenbeleid?
  • Hoe weten ouders waar hun kind ’s morgens gebracht en ’s avonds opgehaald kan worden?
  • Bij wie en op welke wijze kan een ouder intern terecht als hij of zij de indruk heeft dat werken met ‘open deuren’ niet goed is voor het kind?

Er is veel te doen over de beroepskracht-kindratio nadat de Wet IKK ingaat (waarschijnlijk vanaf 1 januari 2018). Wat betekent dit voor babygroepen en wat betekent het voor de bso? Lees meer in dit artikel en bekijk rekenmodellen

Download hier de brochure Opendeurenbeleid

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.