Hoe staat het ervoor met het veldinstrument?

In de aanloop naar Het Nieuwe Toezicht in 2017, werkt de GGD met een ander meetinstrument om kwaliteit in de kinderopvang te beoordelen. De pedagogische kwaliteit staat centraal. Na een lastige start, is het instrument nu een klein jaartje openbaar. Hoe bevalt het?

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Hoe staat het ervoor met het veldinstrument?
Foto: iStock

In het oktobernummer van Management Kinderopvang geeft GGD-toezichthouder Sonja Wilken antwoord op die vraag. Ze is enthousiast en zegt dat kinderopvangmanagers, – eigenaren en –directeuren dat ook zijn. ‘Houders vinden deze manier van werken waardevol. Ze zeggen: eindelijk kijken jullie naar waar het echt om gaat – de dagelijkse praktijk.’

Wetenschappelijke onderbouwing

De GGD werkt al sinds 2012 met het nieuwe meetinstrument. In een landelijke werkgroep wisselden toezichthouders ervaringen met elkaar uit. De invoering van het systeem ging niet zonder slag of stoot. Er was kritiek, bijvoorbeeld vanuit de kinderopvang die de inhoud van het instrument niet kenden en er toch mee beoordeeld werden. Begin dit jaar oordeelden wetenschappers dat de wetenschappelijke onderbouwing van het veldinstrument tekort zou schieten. Onderzoeksbureau Sardes deed een validiteitsonderzoek waarna GGD Nederland en het NJi het instrument aanpasten.

Goed burgerschap

Nieuw is dat het instrument twee varianten heeft: één voor 0-4 jaar en één voor 4-12 jaar. Er is meer aandacht voor baby’s en voor de oudere bso-kinderen. En er is meer aandacht voor het overdragen van waarden en normen: goed burgerschap bijvoorbeeld. De beoordelingslijst bestaat uit vijf thema’s: pedagogisch beleidsplan, emotionele veiligheid, persoonlijke competentie, sociale competentie en overdracht van waarden en normen.

Minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken wil toewerken naar een andere vorm van toezicht op de kinderopvang, waarbij er meer aandacht komt voor de pedagogische kwaliteit. ‘Er moet meer ruimte voor kinderopvanginstellingen om zich te kunnen onderscheiden op kwaliteit.’ Lees meer >>

Frisse blik

Hoe bevalt het dat de toezichthouder opeens meepraat over wat pedagogisch medewerkers op de groep doen? Wilken:  ‘Van wat we doen – lezen, observeren, praten – is de laatste het leukste. Ik zeg vaak: heb het er met elkaar in je team eens over. Je brengt de beroepskrachten op ideeën. Ze vinden het leuk, want het gaat tenslotte over hun corebusiness. Één keer per jaar de frisse blik van een buitenstaander, dat wordt gewaardeerd.’

Veiligheid

Om te kunnen werken met het instrument moest er bij de GGD ook wel een knop om. ‘Onze deskundigheid is intussen flink ontwikkeld’, vertelt Wilken. In regionale GGD’s wordt al jarenlang expliciet aandacht besteed aan de pedagogische praktijk. ‘dat was ook nodig’, vindt Wilken, ‘want de focus lag bij de GGD van oudsher op veiligheid. We bekijken nu regelmatig samen video-interacties en sparren met elkaar: hoe beoordelen we deze situatie?

Abonnees van Management Kinderopvang kunnen een compleet interview met Sonja Wilken lezen in het oktobernummer van Management Kinderopvang.

Vind jij het een goede zaak dat toezichthouders letten op en zich bemoeien met hoe pedagogisch medewerkers met kinderen omgaan? Reageer hier >>

3 REACTIES

  1. Lees alle reacties
  2. Goed om te lezen dat er een stap gezet lijkt te zijn wat betreft één van de zaken die het Nieuwe Toezicht wilde verbeteren, de dialoog tussen inspectie en ondernemer. Wat ik erg zorgelijk vind is de kritiek op de validatiestudie niet serieus wordt genomen. Ik wil erg graag met het Veldinstrument aan de slag maar wil dan wel weten dat ik meet wat er gemeten moet worden. En dat is precies waar nu terechte vraagtekens bij gezet zijn. Als we als kinderopvangsector serieus genomen willen worden, dan hebben we ook serieuze, wetenschappelijk gedegen, instrumenten nodig. Zeker voor een belangrijk instrument waar de inspectie ons op gaat beoordelen!
    Simon Hay

  3. Ik vind het wel goed, maar vind ook dat wanneer een toezichthouder een 'overtreding' constateert, dit meteen met betreffende persoon moet bespreken en deze persoon niet pas 6 weken later een stukje tekst onder ogen krijgt, waaruit dan zou moeten blijken wat de overtreding is. Dit vind ik niet reëel; het is niet eerlijk tegenover die persoon en ook is het dan te lang geleden (voor de persoon) om nog te kunnen herinneren hoe zij/hij toen handelde. Daarnaast is het een gemiste kans; als dit meteen besproken was, had de betreffende persoon haar/zijn handelen meteen kunnen verbeteren. Mij is dit overkomen en ik denk dat dit geen juiste handelswijze is. Naar aanleiding hiervan 'moest' ik (samen met mijn collega's) in een traject, waarbij mij al die tijd niet duidelijk was wat ik nu gedaan had en daarmee dus ook dat mij niet duidelijk was wat nu eigenlijk de bedoeling van het traject was, omdat tijdens het traject mijn vermeende 'overtreding' helemaal niet besproken werd. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat ik mijn werk kwijtgeraakt ben. Als de toezichthouder dit meteen en eerlijk met mij besproken had, was het meteen opgelost geweest.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.