Blog Simon Hay – Ja, we hebben een imagoprobleem! (deel 2)

Vier op de tien ouders geeft aan dat kinderopvang niet goed betaalbaar is. Slechts een derde van de ouders vindt dat er voldoende plekken zijn. Een op de vijf ouders vindt de haal- en brengmomenten bij kleuters te stressvol. Het zijn zomaar wat resultaten uit het onlangs verschenen onderzoeksrapport ‘Kijk op kinderopvang’. Ik schrik ervan. En het blijft me bezighouden. Daarom voor de tweede maal een blog over het imago van de kinderopvang.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Op 30 augustus jl. woon ik een bijeenkomst bij van het Sociaal Cultureel Planbureau over het net verschenen onderzoeksrapport ‘Kijk op kinderopvang, hoe ouders denken over de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van kinderopvang’. Het doel van het onderzoek is om, naar aanleiding van de ontwikkelingen in de kinderopvang de afgelopen jaren, een beeld te krijgen van hoe ouders tegen kinderopvang aankijken. Er zijn 2.000 ouders bevraagd van kinderen in de leeftijd waarop zij starten in de kinderopvang (6 tot 18 maanden en 4,5 tot 5,5 jaar oud). In de steekproef zijn zowel ouders opgenomen die gebruikmaken van de kinderopvang, als ouders die dit niet doen.

Ik noemde al wat resultaten uit het onderzoek. Tijdens de bijeenkomst bespreken we er nog meer. Een aantal daarvan zijn positief. Zo geven de meeste ouders aan dat ze tevreden zijn over de kwaliteit van de kinderopvang. Er wordt goed voor hun kind gezorgd. Met name ouders van kleuters ervaren de kinderopvang ook positief voor de ontwikkeling van hun kind. Dit geldt echter minder voor ouders van baby’s. En er zijn meer aandachtspunten. Slechts een op de drie ouders van kinderen die géén gebruikmaken van de kinderopvang ziet de opvang als veilig. Twee derde van deze groep vindt ook dat kinderen er te weinig aandacht krijgen. Ouders die wel gebruikmaken van de kinderopvang zijn weliswaar positiever, maar ook binnen deze groep vindt een op de vier dat de kinderopvang te druk is voor kinderen.

Tja, daar zit je dan als pedagoog die staat voor kwaliteit en die ziet dat er op dat vlak grote stappen gezet zijn de afgelopen tijd. Maar de uitkomsten liegen niet, ik kan en wil daar niet omheen. En dat betekent dat we maar één conclusie kunnen trekken: we hebben écht nog een klus te klaren. Wij, de kinderopvangsector.

Mijn gedachten worden ondertussen onderbroken doordat de onderzoekers een discussie op gang proberen te brengen. Ze laten een aantal stellingen de revue passeren. Een daarvan is ‘Kinderopvang heeft een imagoprobleem’. De zaal reageert: “In het basisonderwijs en bij sportverenigingen is het echt niet veiliger dan binnen de kinderopvang”. En ook: “De kinderopvang stelt zich kwetsbaar op en is heel open in het bespreken van incidenten. Die incidenten hebben ook meer nieuwswaarde dan mooie voorbeelden van kwaliteit.”

‘We schieten in de slachtofferrol. En daar ben ik klaar mee’

Het valt mij op hoeveel frustratie er zit in de gesprekken met vakgenoten. We overladen elkaar met positieve voorbeelden van essentiële ervaringen die kinderen bij ons opdoen. Daarnaast bekritiseren we ouders, het onderwijs en de overheid dat zij onze meerwaarde nog steeds niet beamen. Kortom, we schieten in de slachtofferrol. En daar ben ik klaar mee. Ik heb me dus voorgenomen er niet meer aan mee te doen en ook collega’s een spiegel voor te houden. We moeten gewoon kritischer naar onszelf gaan kijken.

Het onderzoek van het SCP geeft gelukkig aanknopingspunten waar wij wat mee kunnen. Zo blijken ouders die gebruikmaken van kinderopvang hier een stuk positiever over. Dus als ouders eenmaal ervaren wat kinderopvang kan betekenen voor hun kind, dan zien ze weldegelijk de meerwaarde. Verder geven zes op de tien ouders aan onbalans te ervaren in werk en privé en vier van de tien vindt de combinatie werk en kinderopvang stressvol. Ouders die het gevoel hebben dat hun kinderopvanglocatie goede kwaliteit biedt rapporteren echter een hoger welbevinden.

We moeten ouders dus voor ons gaan winnen. Door ze te laten zien wat wij kinderen te bieden hebben. Door uit te dragen hoeveel pedagogische kwaliteit wij in huis hebben. En door onder de aandacht te brengen hoe wij kinderen op een speelse manier voorbereiden op de toekomst. Dat kan bijvoorbeeld door ouders – uiteraard met alle benodigde toestemming – filmbeelden en foto’s van hun eigen kind op de groep te laten zien. Tijdens ouderavonden of individuele oudergesprekken, maar natuurlijk ook via de digitale ouderportals. Laat het echter niet alleen zien. Licht het ook toe, en dat vanuit het kindperspectief. Alleen op die manier laat je zien wat de meerwaarde van kinderopvang voor kinderen is.

Een ander belangrijk punt is om meer concreet te maken welke pedagogische kwaliteit je biedt als organisatie. We kunnen ouders blijkbaar onvoldoende overtuigen met wetenschappelijk onderzoek naar de kwaliteit van kinderopvang. Als organisatie moet je dus zelf een concreet en zichtbaar beeld geven van de kwaliteit van de eigen pedagogische praktijk. En als ouders gaan zien en voelen wat wij kinderen daadwerkelijk te bieden hebben, dan gaan zij wellicht ook anders kijken naar de betaalbaarheid. Want welke ouders zijn niet bereid om (inkomensafhankelijk) te betalen voor iets waarvan zij weten dat het essentieel is voor het welbevinden en de ontwikkeling van hun kind?

Kortom, ik ben ervan overtuigd dat als wij ouders achter ons kunnen krijgen, dit een positieve weerslag heeft op het imago van kinderopvang, ook bij samenwerkingspartners, toezicht en overheid. Wij zijn dus aan zet. Ik heb er zin in, wie doet mee?

Een dialoog tot stand brengen, is geen gemakkelijke opgave. Dat komt door de verschillende rollen die deelnemers aan het gesprek hebben. De houder moet verantwoorden, de toezichthouder beoordelen. In eerste instantie geen gelijkwaardige relatie dus. Het maakt een dialoog moeilijker. Lees de vorige blog van Simon hier

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.