Veldinstrument toezicht verbeterd

Sinds 2012 werkt de GGD met een nieuw meetinstrument voor de kinderopvang. Daarmee speelt de toezichthouder in op Het Nieuwe Toezicht van Asscher, dat in 2017 ingevoerd moet zijn. Voortaan staat de pedagogische kwaliteit centraal. GGD-toezichterhouder Sonja Wilken: ‘Er is veel steun voor deze manier van werken.’

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Het nieuwe toezicht in de kinderopvang
Ondernemers krijgen meer ruimte voor maatwerk - Foto: ANP

De aandacht voor pedagogische kwaliteit komt niet uit de lucht vallen. Na de Amsterdamse zedenzaak kwam de Commissie Gunning in 2011 met aanbevelingen, waaronder meer toezicht op de praktijk. Het was de aanzet tot de ontwikkeling van het nieuwe veldinstrument observatie pedagogische praktijk. Insteek: documenten en protocollen zijn belangrijk. Maar wat op de werkvloer gebeurt, is de kern.

Er werd een landelijke werkgroep opgezet waarin toezichthouders ervaringen uitwisselen, onderling aan deskundigheidsbevordering doen en meedenken over de verdere ontwikkeling van het instrument. ‘Al dat afstemmen is nodig, want de praktijk kent grijze gebieden’, legt Sonja Wilken uit, toezichthouder Kinderopvang GGD Rotterdam-Rijnmond en deelnemer van de werkgroep. ‘Kwaliteit is niet zwart-wit.’ Toch ging de invoering niet zonder slag of stoot. Er klonk kritiek: kindercentra vonden dat ze werden beoordeeld op basis van een instrument waarvan ze de inhoud niet kenden. Begin dit jaar oordeelden sommige wetenschappers dat de wetenschappelijke onderbouwing van het veldinstrument tekort zou schieten. Onderzoeksbureau Sardes deed validiteitsonderzoek, waarna GGD Nederland en het NJi het veldinstrument eind 2014 aanpasten en het veldinstrument openbaar werd. 

Wat is er allemaal verbeterd aan het veldinstrument?
‘Er zijn nu twee varianten: een instrument voor 0- tot 4-jarigen en een voor 4- tot 12-jarigen. De normen zijn meer ‘gefinetuded’. Naar aanleiding van de resultaten van het validiteitsonderzoek heeft het NJi gezorgd voor meer aandacht voor de baby’s en voor de oudere bso-kinderen. Een ander punt, de overdracht van waarden en normen, was voorheen vrij eenzijdig ingevuld. Nu letten we op zaken als goed burgerschap, het respecteren van verschillen en is er meer aandacht voor levensstijl. De specialistengroep denkt daarin mee.’

Heeft de discussie over de wetenschappelijke validiteit van het instrument jullie werk beïnvloed?
Bij de houders is die discussie eigenlijk geen issue. Het nieuwe veldinstrument is geaccepteerd. Het is nog nooit voorgekomen dat bij een onvoldoende beoordeling van de pedagogische praktijk door een houder gezegd werd: trouwens, die beoordeling is onzin. We hebben het instrument bewust openbaar gemaakt en bijeenkomsten georganiseerd, zodat houders weten waar ze aan toe zijn. Misschien is al die reuring rondom de validiteit ook goed geweest. Daardoor hebben we in de specialistengroep bij de afstemming van het nieuwe instrument nog beter gekeken naar verschillende onderdelen. Over kwaliteit in de kinderopvang blijkt een enorme consensus te bestaan. De kern wordt gevormd door de interactievaardigheden van de beroepskrachten: bieden ze emotionele steun? Wordt de autonomie van de kinderen gerespecteerd, zodat hun welbevinden en betrokkenheid gegarandeerd zijn? Daarover is iedereen het eens.’

Het toezicht op de gastouderopvang levert heel andere resultaten op dan de toezichtresultaten van kindercentra. Afgesproken is dat tussen de 5 en 30 procent van de gastouders door de GGD wordt onderzocht. In tegenstelling tot kindercentra, gebeurt dat meestal aangekondigd. Lees meer

Hoe bevalt het in de praktijk?
‘De nadruk op de pedagogische kwaliteit bevalt alle partijen goed. Houders, zoals we kinderopvangondernemers noemen, vinden die manier van werken waardevol. Ze zeggen: eindelijk kijken jullie naar waar het echt om gaat – de dagelijkse praktijk. Bij Rotterdam-Rijnmond besteden we al drie jaar expliciet aandacht aan de pedagogische praktijk. We zijn met 30 toezichthouders actief in 18 gemeenten. Onze deskundigheid op dat gebied is intussen flink ontwikkeld. Dat was ook nodig, want de focus lag bij de GGD van oudsher op de veiligheid. We bekijken regelmatig samen video-interacties en sparren met elkaar: hoe beoordelen we deze situatie?

Hoe past de vernieuwing van het veldinstrument bij Het Nieuwe Toezicht van minister Asscher, met zijn pedagogische doelbepalingen en risicogestuurd toezicht? 
‘Daar koersen we op af. Asscher kiest ervoor om opvoeddoelen nog preciezer in te vullen en de Wet kinderopvang daarop aan te passen. We beoordelen tijdens elk inspectiebezoek de pedagogische praktijk en het onderdeel personeel en groepen. Bij de andere domeinen gebeurt dat alleen risicogestuurd, bijvoorbeeld als we er signalen over hebben gekregen. Dit is typisch een instrument dat gaandeweg steeds zal worden aangepast. Verandering hoort bij deze sector. Gelukkig zijn houders eraan gewend om mee te bewegen.’

Kan het GGD-rapport ook een manier worden om je als organisatie mee te onderscheiden?
‘Vanwege de wet is een uniforme wijze van vastleggen vereist: voldoende of onvoldoende. Er loopt nu een discussie of we bij organisaties die iets extra’s doen – plekken waar je denkt: wow, die hebben het goed voor elkaar – een extra score kunnen geven. Het Nieuwe Toezicht biedt daarvoor aanknopingspunten. De minister wil graag net als bij scholen onderscheid gaan maken tussen excellent, goed of zwak. De meningen zijn verdeeld over wie dat moet gaan meten. Momenteel laten GGD GHOR Nederland en VNG onderzoeken of een kwaliteitsoordeel door de GGD mogelijk is.’ 

Hoe pakt de leeftijdsgerichte benadering uit?
‘We kunnen nu nog gerichter kijken en het gesprek aangaan. Stel dat ik bij een bso een 8-jarig kind alleen in een hoek zie zitten dat niet deelneemt aan de groepsactiviteit. Dan ben ik benieuwd hoe daarmee wordt omgegaan. Wordt bij een volgende activiteit alsnog geprobeerd hem erbij te halen? De pm’ers vraag ik of ze hem hebben zien zitten en hoe ze ermee omgaan. Welke afspraken zijn er gemaakt in het team en is dat terug te lezen in het pedagogisch beleid? Enerzijds heeft het kind recht op autonomie, anderzijds moet je bewaken dat het aandacht krijgt.’‘Deze week was ik op bezoek bij een bso op een school, een heel mooi ingerichte ruimte waar kinderen ontspannen aan het spelen waren, in groepjes, verdiept in spel en bij elkaar betrokken. De beroepskracht had aandacht, er werden gesprekjes gevoerd: super. Opeens moest iedereen alles opruimen en naar buiten. Ik was verbaasd: waarom moesten die kinderen allemaal tegelijk naar buiten? Zonde om zo’n goede pedagogische praktijk te onderbreken. Het had ook in groepjes gekund, of individueel. Scheer niet alle kinderen over één kam.’

Jullie gaan veel meer het gesprek aan dan vroeger?
‘Van wat we doen – lezen, observeren, praten – is de laatste het leukste. Ik zeg vaak: heb het er met elkaar in je team eens over. Je brengt de beroepskrachten op ideeën; ze vinden het leuk, want het gaat tenslotte over hun corebusiness. Eén keer per jaar de frisse blik van een buitenstaander, dat wordt gewaardeerd. Ik vraag ook altijd of houders zich in ons oordeel herkennen. Als we een onvoldoende uitdelen, snappen ze dat meestal. Ons gaat het om een betere situatie voor kinderen, niet om het uitdelen van reprimandes.’

Hoe passen jullie het onderdeel normen en waarden toe?
‘Een van de aandachtspunten is dat er ruimte moet zijn voor verschillen tussen kinderen. Op bso-plusgroepen kan dat bijvoorbeeld een aandachtspunt zijn, bijvoorbeeld als het ene kind laatdunkend praat over het andere kind. Hoe ga je daarmee om? De kinderopvang is een sociale oefenplaats. Het is de bedoeling dat kinderen worden aangezet tot sociaal gedrag. Ook leefstijl is belangrijk: vertel erover als pm’er, maar geef ook zelf het goede voorbeeld.’

Welke mooie voorbeelden van het nieuwe beleid ben je tegengekomen?
‘Sommige grote organisaties hebben pedagogen in dienst die heel actief zijn met interactievaardigheden. Zo kwam ik dit jaar bij een organisatie waar iedere pm’er een eigen logboek met de zes interactievaardigheden bijhield. Hoe zetten ze die in? Wat gaat goed en wat kan beter? Dat deden ze voor hun eigen ontwikkeling, naast hun persoonlijk ontwikkelingsplan. De dagelijkse interacties met kinderen werden in het teamoverleg besproken. Dan pak je heel veel mee.’

Het veldinstrument observatie pedagogische praktijk
Wat beoordelen toezichthouders met het nieuwe instrument? Er zijn twee verschillende formulieren: een voor de kinderdagverblijven en peuterspeelzalen, en een voor de bso’s. Onderdelen in de beoordelingslijst zijn pedagogisch beleidsplan (4 items), emotionele veiligheid (33 items), persoonlijke competentie (28 items), sociale competentie (14 items) en ten slotte overdracht van normen en waarden (20 items). Bij elk item staat de betreffende leeftijd genoemd. Voorbeeld van een nieuw item: ‘Gelijkwaardigheid (0-4 jaar). De beroepskrachten gaan op eenzelfde respectvolle manier om met alle kinderen, ouders en collega’s. Persoonlijke voorkeuren zijn niet merkbaar op de werkvloer. Acceptatie en respect wordt actief uitgedragen.’

Minister Asscher van Sociale Zaken wil zich in de laatste termijn van zijn ministerschap richten op de herijking van kwaliteitsregels in de kinderopvang en het nieuwe toezicht, de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de directe financiering. Lees meer

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.