Serie: toezichthouders en de strijd tegen kindermishandeling (dl. 3)

De kinderopvang is een belangrijke vindplek als het gaat om het signaleren en handelen bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld. In deze serie laten we GGD-toezichthouders aan het woord. In deel 3: verlegenheid rondom de meldplicht.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
iStock

In het tweede deel van deze serie gingen we in op het toezicht op en het gebruik van de meldcode in de kinderopvang. Toezichthouders controleren op twee manieren wat een kinderopvangorganisatie doet binnen de strijd tegen kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag: toezichthouders controleren of de meldcode bekend is en in voorkomende gevallen gebruikt wordt én er wordt gecontroleerd of het management de kennis en het gebruik van de meldcode bevordert. Dit gebeurt aan de hand van verschillende vragen, die in deel 2 uitvoerig werden benoemd, zoals: ‘Wat doe je als je zorgen hebt over (de ontwikkeling) van een kind? Hoe handel je?’

Kennis en kunde

Deze vragen geven het toezicht goed zicht op de kennis en kunde van medewerkers en managers op de kinderopvang met betrekking tot het signaleren en handelen bij zorgen over (mogelijke) kindermishandeling. Wanneer uit de antwoorden op de gestelde vragen door de toezichthouder blijkt dat er onvoldoende over de meldcode na wordt gedacht, onvoldoende kennis wordt bevorderd en/of onvoldoende adequaat wordt gehandeld, moet het toezicht dit benoemen richting de manager en beschrijven in het inspectierapport. Als zij dat niet doen, wordt aan niemand een signaal afgegeven dat er een verbetering nodig is. En dat laatste is juist in het belang van het kind.

Gesprek met ouders

Misschien wel de aller moeilijkste stap uit de meldcode is het gesprek voeren met ouders. Een open gesprek voeren, waarin zorgen worden geuit zonder direct te beschuldigen, is een vak apart. De GGD geeft als tip:

‘Dit is niet weggelegd voor iedere professional, maar wat wel verwacht mag worden is dat er iemand in de organisatie is die dit kan of die hiervoor wordt opgeleid. Dit kan een manager en/of aandachtsfunctionaris zijn. Het moet iemand zijn die dicht genoeg bij de praktijk staat. Beroepskrachten moeten het namelijk makkelijk en snel aan deze persoon kunnen toevertrouwen als ze iets signaleren. Beroepskrachten aan laten sluiten bij dit gesprek is van belang, want zij zijn de vertrouwde gezichten voor de opvoeders en zij kennen de kinderen het beste.’

Veilig Thuis

Een andere drempel binnen de meldcode is de plicht om te melden bij Veilig Thuis bij vermoedens van acute en structurele onveiligheid. Uit gesprekken tussen toezichthouders en managers blijkt een vaak gehoorde angst of terughoudendheid dat managers niet durven te melden of contact op durven te nemen met Veilig Thuis, omdat zij dan het kind helemaal uit het oog kunnen verliezen. Zij hebben de ervaring dat een gezin daarna verhuisd of de ouders het kind in ieder geval van de kinderopvang afhaalden. Veilig Thuis staat voor sommigen gelijk aan melding en uit huis plaatsing, en sommigen ervoeren geen goede begeleiding vanuit Veilig Thuis.

Advies inwinnen

Tijdens de tweede stap in de Meldcode (collegiale consultatie) kan advies worden ingewonnen bij Veilig Thuis:

‘Over de waarde van het advies van Veilig Thuis horen wij nog wisselende verhalen van managers. Sommige professionals in de kinderopvang geven aan dat zij liever advies inwinnen bij andere instanties dan Veilig Thuis, zoals bij het Kabouterhuis of een jeugd- en gezinsteam (wijkteam). Anderen zijn wel tevreden over Veilig Thuis en weer anderen geven aan dat als zij na een eerste keer contact niet voldoende houvast hebben aan het advies van Veilig Thuis, zij nogmaals bellen en dan weer een stap verder komen.’ De GGD roept op om ervaringen die managers en pm’ers hebben met Veilig Thuis te delen met de toezichthouder, zodat belangrijke aandachtspunten voor Veilig Thuis gedeeld kunnen worden.’

Rol professionals

Professionals in de kinderopvang vervullen een belangrijke rol wat betreft het signaleren en handelen bij (vermoedens van) kindermishandeling.

‘Beroepskrachten die dagelijks met kinderen werken kunnen meer signaleren en adviseren dan zij nu (vaak) durven. De gemiddelde beroepskracht is goed in staat om een emotioneel veilige sfeer te creëren en een waardevolle band op te bouwen met kinderen. Dan zijn zij ook in staat om te signaleren (bijvoorbeeld bij haal- en brengmomenten) of opvoeders een dergelijke veilige en waardevolle band met hun kinderen hebben. Let wel: beroepskrachten constateren niet of er sprake is van huiselijk geweld of kindermishandeling. Dat doet Veilig Thuis. Beroepskrachten zijn wel in staat om te signaleren of ouders extra steun kunnen gebruiken.’

”Hier op de bso gaat het goed’, horen we vaak’

‘Nu horen wij nog regelmatig dat beroepskrachten wel een naar gevoel krijgen van de manier waarop het contact tussen ouders en kinderen verloopt, maar dat zij hier niets mee doen. Of dat ze wel bekend zijn met de thuissituatie van bijvoorbeeld een vechtscheiding, maar dat zij niet bekend zijn met het feit dat er bij vechtscheidingen doorgaans sprake is van emotionele mishandeling. Een veel gehoorde reactie van beroepskrachten is: ‘hier op het kinderdagverblijf of op de bso gaat het goed met de kinderen en merk je nauwelijks iets aan ze’. Dat is niet vreemd, gezien het feit dat het kind bij het kinderdagverblijf of de bso juist even uit de onveilige thuissituatie is. Door professionals te wijzen op de eigen expertise en dat zij deze tijdig aanvullen met extern advies, kan er sneller en effectiever ondersteund en gehandeld worden.’

Dit artikel is geschreven in samenwerking met toezichthouders van de GGD, en de handleiding De strijd tegen kindermishandeling en het toezicht op de kinderopvang. Geschreven door Maryse Nijhof-Broek (toezichthouder kinderopvang GGD Hollands Midden) en Janneke Schalkwijk (toezichthouder kinderopvang GGD Amsterdam).

In het laatste deel van deze serie gaan we in op de rol van de aandachtsfunctionaris. Daarnaast is het bijna de Week tegen Kindermishandeling 2019, van 18 tot en met 24 november. Daarin staan de verhalen centraal van professionals, ouders en kinderen die geconfronteerd werden met kindermishandeling. Wat kunnen we daarvan leren? Lees meer

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.