Lage educatieve kwaliteit voorschoolse voorzieningen

Uit het eerste Pre-COOL-onderzoek naar de effecten van kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie blijkt dat de educatieve kwaliteit van voorschoolse voorzieningen beter kan. Aanbevelingen: professionalisering van pedagogisch medewerkers, betere begeleiding van vrij spel en goede informele gesprekken met kinderen.
PreCOOL-onderzoek voorschoolse voorzieningen
PreCOOL-onderzoek stelt dat voorschoolse voorzieningen van lage educative kwaliteit zijn - Foto: Istockphoto

COOL staat voor cohortonderzoek onderwijsloopbaan en is een grootschalig onderzoek (20.000 kinderen) naar de onderwijsloopbaan van kinderen tussen 5 en 18 jaar. Daaraan is in 2009 onderzoek gekoppeld naar de ontwikkeling bij jonge kinderen, vandaar de naam Pre-COOL. Het doel van Pre-COOL is zicht te krijgen op de effecten van verschillende vormen van kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie.Het eerste onderzoek vond plaats onder peuters die in 2010 twee jaar zijn geworden. Deze kinderen zijn in twee subgroepen onderverdeeld: kinderen die peuterspeelzalen, kinderdagverblijven of andere voorschoolse voorzieningen bezoeken, en kinderen die daar niet aan deelnemen. Ook deze kinderen worden tot het einde van de basisschool gevolgd.

Belangrijkste uitkomsten vindt u onderaan dit artikel.

Uit beeld
Dat klinkt gemakkelijker dan het is, vertelt Annemiek Veen, onderzoeker bij het Kohnstamm Instituut. Naast het Kohnstamm Instituut doen ITS en de Universiteit Utrecht mee aan Pre-COOL. Ze volgden drieduizend kinderen in driehonderd instellingen. Maar door fusies en reorganisaties in de kinderopvang verdwijnen kinderen uit beeld. Kinderen waaieren bovendien uit naar veel meer basisscholen dan gepland. Ze wisselen van school. Het is dus een complex, maar ook een bijzonder onderzoek. Veen: ‘Het longitudinale karakter, de uitgebreide beginmeting van de vroegkinderlijke ontwikkeling en de kwaliteitsmetingen maken pre-COOL uniek ten opzichte van eerdere onderzoeken.’

Hoe effectief is vroeg- en voorschoole educatie (vve)? Het afgelopen jaar heeft BOinK aan hoogleraar kinderopvang Ruben Fukkink gevraagd om alle bekende onderzoeken van de afgelopen vijftien jaar naar de effectiviteit van vve-programma’s te onderzoeken. Lees meer

Executieve functies
In het rapport over de voorschoolse periode is onderzocht hoe executieve functies, zoals onder meer aandacht, werkgeheugen en zelfcontrole van tweetalige kinderen zich ontwikkelen. Ook is gekeken naar het ontwikkelingsverloop van de aandacht tussen twee en vier jaar. Daarnaast is de relatie onderzocht tussen opvoeding en de cognitieve ontwikkeling en gedrag van kinderen. En ten slotte willen de onderzoekers weten wat de effecten van de kwaliteit van de voorzieningen zijn op de ontwikkeling van kinderen. Dat is nu alleen nog gedaan in een zogenoemde dieptestudie, een kleinere steekproef. In een volgende rapportage worden verdere schoolloopbaangegevens erbij betrokken.

NCKO-onderzoek
De onderzoekers maakten geen gebruik van instrumenten uit het onderzoek van het NCKO naar de kwaliteit van de kinderopvang. Veen: ‘Het NCKO zoomt minder in op de educatieve kwaliteit. Omdat wij de relatie leggen met de schoolse factoren hebben we een instrument uitgezocht dat vooral de educatieve kwaliteit wat meer precies meet. Observaties zijn verricht met het Amerikaanse CLASS (Classroom Assessment Scoring System) Toddler, dat onderverdeeld is in twee domeinen: emotionele en gedragsondersteuning en educatieve ondersteuning. De uitkomsten liggen wel redelijk in lijn met uitkomsten van NCKO-onderzoeken: instellingen scoren hoog op emotionele ondersteuning en minder op educatieve ondersteuning. ‘Dat zijn resultaten die we ook in landen om ons heen zien’, zegt Veen. ‘Nederland is hierin niet uniek. En dat is ook niet zo gek. Educatieve ondersteuning vraagt veel van pm’ers: echte gesprekken voeren, ideeën uitlokken, nieuwe begrippen inbrengen, juiste feedback geven. Dus niet “goed gedaan”, maar “wat heb je dat mooi rood gekleurd”. Daar is veel winst te behalen.’Tegelijkertijd wil Annemiek Veen waarschuwen om niet te geringschattend te doen over de uitkomst van het onderzoek. ‘Dat het goed zit met de emotionele kwaliteit is natuurlijk heel belangrijk. Emotionele kwaliteit is een basisvoorwaarde voor de kinderopvang.’ Er is bovendien een duidelijke relatie tussen emotionele kwaliteit en de ontwikkeling van de woordenschat, zo blijkt uit het onderzoek. Informele gesprekjes leveren een bijdrage aan de woordenschat. Je hoeft daar dus niet per se een educatieve activiteit van te maken, maar je kunt het vrij spel goed benutten om de taal te stimuleren. 
[subheader] SpelbetrokkenheidDat beter benutten van vrij spel is ook een terugkerend item in onderzoek naar voorschoolse instellingen. Veen: ‘We hebben bij de observaties gezien dat kinderen vaak vrij spelen. Dat mag, maar we zagen ook dat vrij spelen vaak betekent doelloos rondlopen. Er wordt dan weinig gedaan.’ Dat vraagt om grotere spelbetrokkenheid – zoals Elly Singer het noemt – van pedagogisch medewerkers. ‘Pm’ers kunnen het spel rijker maken, meer uitdagingen bieden, meer meespelen. Dat vraagt wel wat van hen. Voor een goede interactie moet je kennis hebben van de ontwikkeling van kinderen. Ik heb er weinig zicht op in hoeverre opleidingen inmiddels gevolg geven aan de uitkomsten van onderzoek dat de interactie tussen leidsters en kinderen en de spelbetrokkenheid beter moet.’

Werkhouding
In het onderzoek is ook gekeken naar het ontwikkelingsverloop van de aandacht. Aandacht is het voorstadium van een goede werkhouding en er is een stevige relatie tussen een goede werkhouding en schoolprestaties. Of kinderen zich kunnen focussen is ook een factor in het bepalen of kinderen al schoolrijp zijn. De ontwikkeling van aandacht verloopt snel tussen twee en drie jaar, en langzamer tussen drie en vier jaar. Dat betekent dat interventies om aandacht te stimuleren waarschijnlijk het meest effectief zijn voor de leeftijd van drie jaar. 

Structurele kwaliteit
De structurele kwaliteit van de voorschoolse voorzieningen (groepsgrootte, leidster-kindratio en opleidingsniveau) blijkt in Nederland goed op orde, vertelt Annemiek Veen. Onderzoekers vonden weinig variatie. Veen: ‘Bovendien zien we dat kinderen uit achterstandssituaties naar een kwalitatief goede kinderopvang of voorschool gaan. Dat is in andere landen, zoals Engeland en de Verenigde Staten, vaak anders. Daar gaan kinderen die het hardst nodig hebben ook nog eens naar minder goede voorschoolse voorzieningen. Hier gaan kinderen uit risicogroepen vaak naar betere voorzieningen waar VVE-programma’s uitgevoerd worden, en de educatieve kwaliteit is daar wat hoger. Maar er zijn verdere analyses nodig om na te gaan welke elementen in de aanpak ertoe doen.’

Professionele ontwikkeling
Kwaliteitsverbetering moet gezocht worden in continue professionele ontwikkeling op de werkvloer, is de conclusie van de onderzoekers. Professionalisering in de vorm van inhoudelijk teamoverleg, coaching, begeleiding van medewerkers, gebruikmaken van observaties en reflecteren op eigen handelen. Aangevuld met training en van elkaar leren. Daarnaast is een conclusie dat vrij spel een ‘minder optimale context voor kinderen is om zich te ontwikkelen. Want dit gaat in de praktijk vaak gepaard met weinig actieve betrokkenheid van de pedagogisch medewerkers die de kinderen ondersteunen en uitdagen in het spel.’ Het gericht aanbieden van spel of andere activiteiten in kleinere groepen binnen de groep heeft een positieve relatie met kwaliteit. Pedagogisch medewerkers moeten aansluiten bij de ontwikkeling en interesse van kinderen. Ze kunnen kinderen actief houden, ondersteunen, uitdagen en gelegenheid bieden om zelfregulatie te ontwikkelen.

Het rapport is te downloaden via www.pre-cool.nl.

Pre-COOL: Belangrijkste uitkomsten

  • De emotionele kwaliteit van peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en andere voorschoolse voorzieningen is gemiddeld tot hoog, de educatieve kwaliteit is laag. De educatieve kwaliteit is het laagst tijdens verzorgingsmomenten en vrij spel. Dan is er weinig activerende begeleiding.
  • Fantasiespel in kleine groepjes is belangrijk voor educatieve kwaliteit. Rollenspelen met een relatief lange betrokkenheid en goede begeleiding van de pedagogisch medewerker zijn belangrijk.
  • Structurele kwaliteitsaspecten, zoals groepsgrootte en opleidingsniveau, leveren slechts een kleine bijdrage aan de proceskwaliteit. Waarschijnlijk omdat er door strenge overheidsregulering weinig variatie is in structurele kwaliteit. Het werken met VVE en continue professionalisering draagt wel bij aan een hogere proceskwaliteit.
  • Met name alledaagse persoonlijke gesprekken van een pedagogisch medewerker met een kind leveren een bijdrage aan de woordenschat, meer dan educatieve activiteiten.
  • De ontwikkeling van aandacht bij jonge kinderen verloopt snel tussen twee en drie jaar, en langzamer tussen drie en vier jaar.
  • Kinderen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status scoren al op tweejarige leeftijd minder goed op een aandachtstaak. De verschillen nemen af naarmate kinderen ouder worden. Wellicht door kwalitatief goede opvang.
  • Verschillen in opvoeding tussen autochtone en allochtone (niet-westerse) ouders zijn klein. Focus op etnische verschillen blijkt dus voor de jonge leeftijd niet zo interessant. Wel de mate van stress die ouders ervaren.
  • Niet alleen kinderen van laagopgeleide ouders scoren lager dan gemiddeld op woordenschat, ook kinderen van hoogopgeleide allochtonen.
  • Kinderen met een lage zelfregulatie en een lastig temperament varen wel bij een hoge kwaliteit van de voorschoolse voorzieningen, mits de thuissituatie stabiel is en ze minimaal drie dagen komen.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.