Hbo’er kan niet zonder goede mbo’er

Ondanks forse investeringen is de kwaliteit van de educatieve stimulering onvoldoende. Zijn hbo'ers in de kinderopvang de sleutel tot succes? Ja, denkt het Ministerie van Sociale Zaken. 'Niet helemaal', zeggen hoogleraren en branchepartijen.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Hbo'er kan niet zonder goede mbo'er

In 2015 moeten de 37 grootste gemeenten op 85 procent van hun VVE-groepen een hbo’er hebben rondlopen die minimaal vier uur per week werkt. De gemeente Helmond voldoet al aan die eis. Er is in de hele gemeente niet één VVE-groep zonder hbo-opgeleide pedagogisch medewerker. VVE-coaches, ook hbo-opgeleid, staan daar nog boven. Zij hebben een helikopterview: hebben de programma’s effect? Voeren mijn collega’s het zo goed mogelijk uit? Met behulp van videobegeleiding volgen ze hun collega’s intensief. Spring Kinderopvang in Helmond noemt de VVE-coaches ‘systeemdeskundigen’, terwijl de hbo-opgeleide pedagogisch medewerker op de groep de ‘materiedeskundige’ is. Op de groepen wordt gewerkt met één mbo-opgeleide pedagogisch medewerker en één hbo’er. Stafmedewerker VVE-beleid Diana Wams: ‘Deze aanpak is in samenspraak met de gemeente tot stand gekomen. Bij Spring waren we al langer gewend om te werken met een pedagogische coach. Hun takenpakket is nu versmald tot VVE. Dat moet ook, want alle hbo’ers worden volledig gefinancierd met VVE-gelden vanuit de gemeente. Op onze locaties in Venlo is de gemeente nog niet zo ver, maar het gaat wel dezelfde kant op.’ Anke Reijnders is VVE-coach bij Spring Kinderopvang. Zij studeerde SPH (sociaal-pedagogische hulpverlening) en werkte de afgelopen jaren als coördinator in het peuterspeelzaalwerk. Zij geeft toe dat de nieuwe structuur op de groepen best wennen is voor, met name, de mbo-opgeleide pedagogisch medewerkers. Zij zagen het team om hen heen langzaamaan van samenstelling en opleidingsniveau veranderen. ‘Dat kost tijd en daarvoor trekken we zeker een jaar uit’, vertelt Reijnders. ‘Het opleidingsniveau zegt niks over de waarde die de pm’ers voor de groep hebben. Ik zal nooit zeggen: als we een blik met hbo’ers opentrekken, lossen we de achterstanden wel op. Mbo’ers zijn onmisbaar op de groep. Want op de groep werken en met de kinderen bezig zijn, daar ligt hun kracht.’

Creatieve processen

Paul Leseman, hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht, ziet ook dat de kwaliteit in de kinderopvang beter kan, vooral op het vlak van ontwikkelingsstimulering, taalaanbod en educatie. Volgens Leseman kan de vooropleiding hier aan bijdragen, maar is een generieke verhoging van het opleidingsniveau geen oplossing voor alle kwalen. ‘Ik ben voor teams met gemengde opleidings- en functieniveaus. Het is een voordeel dat je meer functieniveaus en competenties in je team hebt waaruit creatieve processen kunnen ontstaan. We moeten af van al te platte organisaties waarin iedereen dezelfde functie heeft en hetzelfde werk doet. We moeten er ook van af dat de enige doorgroeimogelijkheid een managementfunctie is; doorgroeimogelijkheden moeten er zijn in de pedagogische functies. Een beetje zoals in Reggio of in Scandinavische landen.’ Er is geen eenduidig bewijs dat een hoger opleidingsniveau meer bijdraagt aan de kwaliteit. De pedagogische successen in Noord-Italië, waar in de gemeenten Reggio Emilia en Pistoia – dankzij veel gemeenschapsgeld – voorbeeldlocaties voor de kinderopvang staan, zijn daar een goed bewijs van. Leseman weet dat ze daar werken met laag opgeleide medewerkers, soms zelfs zonder specifiek diploma. Wel worden de teams begeleid door een hoog opgeleide (universitair geschoolde) pedagoog.

Specialisatie

De visie van hoogleraar kinderopvang Ruben Fukkink heeft veel overeenkomsten met die van Leseman. ‘Met mbo’ers is niks mis’, zegt hij in een interview in het vorige nummer van Management Kinderopvang. ‘Maar is het reëel dat je van één persoon vraagt dat ze kinderen moet kunnen stimuleren op educatief, emotioneel, sociaal en motorisch vlak?’ Fukkink zou graag specialisaties in het mbo-onderwijs zien, in de vorm van minors. Je kunt dan een team samenstellen op basis van talent in plaats van op opleidingsniveau. Een hbo’er kan het team complementeren als coach of supervisor. Lex Staal, directeur van de Brancheorganisatie Kinderopvang, gelooft ook in de kracht van een gemixt team, ongeacht opleidingsniveau. In een artikel in Vizier Magazine, een publicatie van Calibris, zegt hij: ‘Ik vind dat we in Nederland te beperkt en te star kijken naar het aan boord halen van de hbo’er als oplossing voor alle problemen. Maar met alleen hoogopgeleiden ben je en kom je er niet.’ Staal vindt dat er teveel nadruk ligt op het resultaat van VVE-programma’s, terwijl de kinderopvang zoveel meer is. ‘Werkgevers en gemeenten, waardeer alsjeblieft ook kwaliteiten als genegenheid en warmte. Bedenk dat taal belangrijk is, maar gezellig samen eten traint ook taal- en sociale vaardigheden.’

Hoogleraar Leseman ziet in het investeren in de professionele ontwikkeling van een gedifferentieerde groep voor iedereen kansen. ‘Als je insteekt op een inservice professionele ontwikkeling van mbo’ers, kunnen hbo’ers en wo’ers een voor hun niveau geëigende rol vervullen. Die rol vervullen ze niet per se op een goede manier als ze gewoon op de groep staan en er geen verder onderscheid is naar functie en taken.’

Zie ook het artikel in tijdschrift Kinderopvang.

Foto: Istockphoto

Salaris

Verdienen hbo’ers meer dan mbo’ers? Elize Fallon, FCB: ‘Bij de waardering van de functie is één element doorslaggevend: de zwaarte van de functie. Voor de functie van pedagogisch medewerker in de kinderopvang geldt de eis van minimaal de opleiding PW3. Een hogere opleiding doet niets met de zwaarte van de vastgestelde functie. Het principe is: gelijk loon voor gelijk werk.’

Bestuursafspraken gemeenten en ministerie

Gemeenten binnen de G37 en G86 hebben afspraken gemaakt over de inzet van hbo’ers in de voorschoolse sector. Door de overheid is de rol van deze medewerkers als volgt geformuleerd: de hbo-gekwalificeerde begeleiders in VVE zijn nodig om het opbrengstgericht werken op de groep verder vorm te geven en de kwaliteit op de werkvloer te verhogen.
In de bestuursafspraken van het Rijk met de G37 gemeenten is afgesproken dat voorschoolse instellingen het aantal hbo’ers op de groep uitbreiden. In de praktijk betekent dit dat in circa 85 procent van de VVE-groepen gebruik zal worden gemaakt van een gekwalificeerde hbo-medewerker, of een medewerker die op hbo-niveau functioneert. De wijze waarop hbo’ers worden ingezet in de VVE-sector is niet precies vastgelegd. In principe mogen de G37-gemeenten een eigen invulling geven aan de inzet van hbo’ers. Het is echter uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de hbo’ers uitsluitend een bureaufunctie krijgen. Zij moeten een bijdrage leveren aan het methodisch en opbrengstgericht werken op de groep. Dit kan in een meewerkende, maar ook in een coachende rol zijn. In de bestuursafspraken is voor de inzet van de hbo’ers een richtlijn van minimaal vier uur per VVE-groep per week gehanteerd.

Bron: Ontwikkelingen rond VVE in kort bestek van Brancheorganisatie Kinderopvang en MOgroep

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.