9 tips voor het aanleren van een nieuwe taal

We weten in de kinderopvang als geen ander hoe het is om jonge kinderen te ondersteunen in hun taalontwikkeling. Maar wat doe je als een kind nog helemaal geen (Nederlandse) taal heeft? Zoals Igor (2 jaar) uit Bulgarije die alleen geluiden maakt, huilt of gilt. Of Amina (3 jaar) die de hele dag in een zelfverzonnen taal kletst.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Fotolia

Paula van de Mheen, manager pedagogiek en kwaliteit bij Wasko en Tessa van Velzen, taalkundige en adviseur bij Sardes hebben beiden veel ervaring met het begeleiden van deze absolute beginners. In een artikel in het oktobernummer van tijdschrift Kinderopvang, vertellen ze erover.

Bang en onzeker

Bij Wasko, een kinderopvangorganisatie in Zuid-Holland, komen kinderen uit allerlei landen. Vaak Oost-Europees: Polen, Oekraïne of Rusland, maar soms ook zijn het vluchtelingenkinderen. Van Mheen: ‘Medewerkers vragen zich af: hoe ga ik om met een kind dat niks zegt en geen contact maakt? En hoe weet ik of er niet meer aan de hand is?’ Volgens Van Velzen is een kind bang of onzeker en kan het zich daardoor afsluiten. ‘Het is essentieel dat je je probeert in te leven en extra investeert in het contact met het kind en de ouders. Zo creëer je veiligheid.’

  1. Gebruik plaatjes en symbolen. Help kinderen zo hun basisbehoeften en emoties duidelijk te maken: zitten, eten, slapen, beker, toilet, boos, blij. Houd het simpel. Leer bij een herfstthema liever: ‘buiten’ en ‘spelen’, dan ‘kastanje’ en ‘blad’. Check de woordenlijst Duizend-en-een woorden op www.slo.nl.
  2. Focus op routines. Binnen komen, handen wassen, eten, drinken, opruimen. Wanneer kinderen dagelijkse routines begrijpen, hebben ze houvast en krijgen ze zelfvertrouwen. Gebruik steeds dezelfde bewoordingen, bijvoorbeeld: pak je jas.
  3. Vermijd verkleinwoorden, tussenwoordjes zoals ‘even’ en ‘misschien’, verwijswoorden en synoniemen. Dus niet: ‘Ga maar eventjes lekker spelen’ maar: ‘We gaan spelen’.
  4. Wees concreet. Dus niet: ‘Wil je deze proeven?’ terwijl je wijst naar het melkpak, maar neem het pak in handen: ‘Wil je melk?’.
  5. Benadruk het belangrijkste woord: ‘Jas, pak je jas.’ Door het naar voren te halen, leg je het accent op het kernwoord jas.
  6. Stel gesloten vragen, die het kind kan beantwoorden met ja en nee. Gewoonlijk lok je taal uit met open vragen, maar voor een absolute beginner is dit juist frustrerend. Stel ook aanwijsvragen, zoals: ‘Waar staat de koe, waar is het huis?’ Geef instructies. Voert het kind de instructies goed uit? Ga dan verder. Een voorbeeld. Zeg: ‘Het potlood, ik pak het potlood.’ Dan geef je instructie: ‘Isma, pak het potlood.’ Als dit lukt: ‘Isma, pak het potlood en teken een auto.’
  7. Je wilt niet je hele programma omgooien voor een of twee absolute beginners. Bied deze kinderen kleine doelen of kleine opdrachten, die zij wél kunnen doen. Een pedagogisch medewerker vertelt: ‘Bij het voorlezen selecteer ik een aantal kernwoorden. Die woorden leg ik eerst met voorwerpen en gebaren uit aan de kinderen die weinig Nederlands spreken. Daarna lees ik het verhaal voor in de kring. Alle kinderen kunnen nu meedoen.’
  8. Geef absolute beginners positieve feedback op hun gedrag. Moedig aan, prijs en wees niet kritisch.
  9. Betrek de absolute beginner bij het spelen. Maak oogcontact, neem het kind bij de hand, geef instructies.
Samantha en haar collega’s zijn op allerlei manieren bezig met de taalstimulering van hun peuters. Tijdens een teamoverleg ontstond een discussie over het direct of indirect verbeteren van taal van peuters. Moet je kinderen corrigeren of werkt dat niet? Pedagoog Annemiek Waage geeft advies

Auteur: Carla Overduin

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.