‘We moeten af van het plaatsen van kinderen in hokjes’

Peuters en kleuters in de leeftijd van 3-6 jaar samen in een groep in het IKC. Zonder dat de een ondergesneeuwd raakt of de ander overprikkeld, in een ruimte zonder klassen. Een uitdaging, volgens Nicole Hanegraaf, maar ook heel natuurlijk. 'Het gaat om het individuele kind: wat vraagt dit kind van ons om tot ontwikkeling te komen? Dat is altijd het startpunt.’

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Nicole Hanegraaf is verantwoordelijk voor basisscholen De Duizendpoot, De Achthoek en St Jan. Hier zijn geen standaard klassen, maar drie units: unit 1 (voorheen voorschool en groep 1 – 3), unit 2 (voorheen groep 4 – 6) en unit 3 voor groep 7 – 8. We spreken haar over unit 1, waarin kinderen in de leeftijd van 3 tot 6 een plekje vinden.

Die aanpak mag op kritiek rekenen. Het zou er een zijn waar financiële en praktische motieven aan ten grondslag liggen en waarbij verschoolsing van het aanbod voor peuters op de loer ligt. Hanegraaf veegt de kritiek van tafel. ‘Als je niet gelooft in het gemiddelde kind en een gemiddelde aanpak, is het juist lastiger en vraagt het meer van je organisatie. Je onderzoekt dagelijks waar het individuele kind staat in ontwikkeling en wat het van jou vraagt als professional. Op basis daarvan plan je je nieuwe aanbod. Ik zou werkelijk niet weten welk financieel voordeel er te halen zou zijn. Het vergt juist zeer veel overleg en afstemming.’

Heb je je al ingeschreven voor de gratis nieuwsbrief van Zosja? Zosja is het nieuwe online platform dat je helpt om toe te werken naar een IKC of jouw IKC klaar te maken voor de toekomst. Zosja levert je nieuws, duiding, achtergronden, tools en inspiratie over de wereld van de IKC’s. Voor een gratis abonnement, klik hier.

Visie

Ze legt uit waarom het op haar scholen wel lukt. Het magische woord: visie!

‘We moeten beseffen dat school of opvang er niet is voor de medewerkers, maar dat we er zijn voor de kinderen en dat die het startpunt zijn voor de manier waarop we ons vervolgens organiseren. In welke wereld wil je leven? Je moet een kind zien als een afzonderlijke parel die alleen maar mooier en groter mag worden. Als daar overeenstemming over is, ga je aan de slag met wat dat betekent voor de inrichting en voor de samenwerking. Wat betekent dat voor de manier waarop we rapporteren over kinderen, voor de relatie met ouders, de manier waarop je leiding wilt geven, voor je communicatie? Je moet alle stappen steeds verbinden aan die visie. Bij elke keuze moet je toetsen: wat betekent dit voor het kind en bereiken we daarmee wat we willen?’

Gemeente

Het begint al met in gesprek zijn met de verantwoordelijke gemeenteambtenaren die de GGD vragen controles uit te voeren, vindt Hanegraaf. ‘Laat ze maar meekijken en stel de vraag: wat signaleren jullie nu? We leggen heel duidelijk uit waarom we kiezen voor deze manier van werken. We hebben ook onafhankelijk onderzoek uit laten voeren door studenten naar het welbevinden en de geborgenheid en de opvoeddoelen van kinderen. Doordat we er meerdere personen objectief naar hebben laten kijken, kan ik ook gedegen verantwoorden dat we verantwoorde opvang bieden.’

Medewerkers

‘Elke van onze 19 basisscholen heeft een voorschool in huis. We werken niet met een aparte kinderopvangorganisatie, dat doen wij allemaal zelf, maar met een centraal bestuur speciaal voor de voorscholen van onze stichting. Op al onze scholen gebruiken we een VVE-programma bij de peuters en kleuters, maar de intensiteit waarmee tussen onze verschillende voor- en vroegscholen samengewerkt wordt, verschilt per school. Wij hebben geen groep van 0-3 in huis, maar kinderen vanaf 30 maanden.’

Afstemmen

Vraagt deze organisatievorm nou eigenlijk meer van je medewerkers? ‘Je moet echt samenwerken en voortdurend met elkaar afstemmen. Dat is in de kinderopvang al gewoon, daar staan pm’ers samen op een groep. In het onderwijs zijn leerkrachten vaak gewend om in hun eentje voor de klas te staan. Nu spiegelen pm’ers en leerkrachten zich aan elkaar. Dat werkt verrijkend in de professionele ontwikkeling. En dat komt weer ten goede aan de kinderen.’

Dagindeling

In unit 1 wordt gewerkt met twee basiskringen: een voor de kinderen tot 4 jaar, en 1 voor de kinderen van 4 tot 6. ‘Alle kinderen openen de dag in hun eigen veilige basiskring met hun eigen pm’er, of hun leerkracht. Het zijn als het ware verschillende huiskamers. De complete ruimte bestaat uit verschillende hoeken, speelruimtes of ateliers. Hier zijn leerkrachten, pm’ers en soms ook nog een onderwijsassistent aan het werk. Kinderen tot 4 jaar zijn altijd in het zicht van een pm’er die ook hun mentor is. Peuters en kleuters werken bijvoorbeeld samen in het kunstatelier en leren van elkaar. Kinderen zoeken zelf hun pad in wat ze willen doen. Ze hebben dan wel een eigen pm’er, maar ook die leerkracht die in dezelfde ruimte werkt, voelt veilig en vertrouwd.’

GGD

Er liggen volgens Nicole Hanegraaf kansen voor wat betreft de Wet IKK. ‘Als je echt integraal wilt werken en samen zorgdraagt voor de ontwikkeling van de kinderen in een doorgaande lijn, zou de wet- en regelgeving flexibeler moeten worden. Als je vanuit de ontwikkeling van het individu naar de wet kijkt, dan liggen daar meer kansen dan wanneer je de regels als startpunt neemt en daar alleen heel stipt naar kijkt. De interpretatie van de wet is in lijstjes gevangen waar de GGD op toetst. Valt iets buiten zo’n lijstje, dan is dat lastig. Bijvoorbeeld dat peuters volgens de wet de beschikking moeten hebben over een afgesloten ruimte. Op een van mijn scholen bestaat de afscheiding niet uit een muur maar zijn het kasten tussen de basiskring van de peuters en die van de kleuters. Dat is dus een afgeschermde ruimte, maar dan krijg ik in de rapportages van de GGD keer op keer te  horen dat die ruimte niet voldoet. Dan ga ik het gesprek aan. Wat nou als het een glazen wand is? Ik vind het juist een meerwaarde dat kinderen makkelijk naar de andere ruimte willen als ze zich verder willen ontwikkelen. Maar de GGD redeneert anders: in de wet staat dat het zo moet, dus dan voelen peuters zich blijkbaar niet veilig. Dat zijn best ingewikkelde gesprekken want je hebt een ander startpunt.’

Beroepskracht-kind ratio

Hanegraaf vertelt dat ze nergens buiten de wet om gaan. ‘Als de peuters ergens spelen binnen die ruimte die voor alle kinderen is, dan moeten die altijd in het zicht zijn van een pm’er. Volgens de wet IKK mogen deze kinderen niet onder de verantwoordelijkheid van een leerkracht spelen. We hebben gekeken naar de ruimte waar de peuters graag spelen. Die delen we dan vervolgens zo in dat een pm’er altijd goed zicht heeft. Blijkt dat kinderen toch behoefte hebben om op andere plekken in de ruimte te spelen, dan gaat daar ook een pm’er mee naartoe. Zo blijft de bkr intact. De pm’er beweegt zich dus met de peuters door de gehele ruimte, de leerkracht doet hetzelfde met de oudere kinderen.’

Integrale aanpak

‘De Wet kinderopvang en de Wet IKK werken belemmerend. Een voorbeeld: twee peuters willen graag buiten spelen. Maar ik mag ze dan niet met de leerkracht die al buiten is mee laten gaan en de pm’er binnen met een kleiner groepje binnen laten. Nee, volgens de wet mag alleen de pm’er toezicht houden over de peuters. Andersom kan ik ook geen ouder kind toevoegen aan een pm’er, want die komt dan boven de bkr uit. Het is een voortdurende zoektocht hoe iets wel verantwoord kan en mag. Elke dag een puzzel, omdat je niet van tevoren weet wat kinderen willen. Maar er kan heel veel, als je als team allemaal vanuit dezelfde visie werkt.’

Verschoolsing

Verschoolsing is bij Hanegraaf niet aan de orde. ‘Kinderen leren vanuit spel, dat moeten we zo lang mogelijk vasthouden. Op mijn scholen richten leerkrachten zich heel erg op ‘rijk spel’ van kinderen en leren ze daarin te begeleiden in plaats van star vast te houden aan een standaardles uit een methode. Natuurlijk kan het zijn dat iets voor een kind niet goed is. Daarom moet je juist een omgeving creëren waar het allemaal kan. Het is niet of-of maar èn-èn. Bij alle keuzes moet je zelf steeds afvragen: Waarom doen we dit zo en is dit ook het goede voor dìt kind?’

Veiligheid vereiste

‘Een kind dat zich niet emotioneel veilig voelt, ontwikkelt zich niet. Onze core business is dat kinderen zich juist ontwikkelen; en dan is die emotionele veiligheid heel belangrijk. Er is ergens bedacht dat een groep peuters 16 kinderen mogen zitten. Dan zou het veilig zijn. Op het moment een kind 4 jaar wordt, gelden er opeens heel andere aantallen. Dat is toch raar? Het heeft niet met de leeftijd, maar met het kind zelf te maken. Wat zijn de behoeften van dit kind? Ze zijn allemaal anders. Laten we kijken naar deze individuele  behoeften, waar kinderen zich fijn voelen en tot ontwikkeling kunnen komen en niet op basis van hoe oud ze zijn. Ik zet kinderen niet graag in een hokje en ik zoek naar een manier van organiseren waarin elk kind zich kan ontwikkelen in het tempo dat bij hem of haar past. Een peuter die met een ouder kind speelt, hoort bijvoorbeeld ook andere taal. Dat effect merk je. Andersom is het voor oudere kinderen weer heel fijn om jonge kinderen te laten zien wat ze al kunnen en om te leren hoe je voor anderen kunt zorgen. Bij ons leren de kinderen vooral ook met en van elkaar heel veel.’

Nicole Hanegraaf maakt deel uit van de veldredactie van Zosja

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.