Visie op het stelsel voor het jonge kind

Het regende afgelopen jaar rapporten, visies en stippen op de horizon als het gaat om de toekomst van de kinderopvang. IJsbrand Jepma, onderzoeker bij Sardes, doet ook een duit in het zakje. Hij heeft op persoonlijke titel zijn visie en toekomstdroom op papier gezet. In dit artikel een aantal fragmenten en prikkelende passages. Het complete stuk is te vinden op www.versterkhetjongekind.nl.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Het is nodig dat er op termijn een basiscurriculum is met standaarden voor de (beginnende) ontwikkelingsgebieden.
Het is nodig dat er op termijn een basiscurriculum is met standaarden voor de (beginnende) ontwikkelingsgebieden. - Foto: Nationale Beeldbank

In deze discussiepaper trekken we enkele beleidslijnen door waarvan nu al de eerste sporen zichtbaar zijn. Over 10 tot 20 jaar is er ideaal gesproken één integraal basisstelsel voor kinderen van 2 tot 12 jaar. Dit wordt gefaseerd opgebouwd. Dit ideale stelsel heeft de volgende kenmerken:

  • Het is algemeen toegankelijk, er zijn geen financiële belemmeringen voor ouders en er is geen institutionele segregatie van kinderen van al dan niet werkende ouders.
  • Het staat garant voor hoogwaardige kwaliteit.Het biedt kinderen brede en rijke ontwikkelingsstimulering: ontluikende taal- en rekenontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling, burgerschapsvorming, ICT-ontwikkeling, psychomotorische ontwikkeling, creatieve ontwikkeling e.d.
  • Het biedt ouders de mogelijkheid om zorg en arbeid te combineren.
  • Het heeft een professionele beroepsgroep: assistenten en ‘educators‘ die werken en denken op hbo-niveau.
  • Het heeft medewerkers die vallen onder één cao.
  • Het heeft één wettelijk regime. Het heeft één financieringssystematiek.
  • Het heeft één toezichthouder die let op de kwaliteit.
  • Het wordt aangestuurd door één ministerie.

Eerste stap

Idealiter is er op de lange termijn één integrale basisstructuur voor kinderen van 2 tot 12 jaar. Dit is een nationaal gesubsidieerd stelsel, net als het basisonderwijs. Deze structuur wordt door opeenvolgende kabinetten stapje voor stapje opgebouwd.

Kinderen van 0 tot 2 jaar blijven vanwege hun intensieve verzorgingsbehoeften de verantwoordelijkheid van de kinderopvang. De overheid zou er goed aan doen om het ouderschapsverlof uit te breiden naar (minimaal) een half jaar, waarbij moeders standaard twaalf weken en vaders standaard twee weken verlof krijgen na de geboorte van hun kind. Het restant van drie maanden verlof mag zowel door de moeder als door de vader worden opgenomen. Zo kunnen kinderen de eerste zes maanden worden verzorgd door de eigen ouders.

De integratie van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang is in mijn beleving de enige en de juiste route om te komen tot een unitair voorschools stelsel voor het jonge kind. De gemeenten zullen hun bemoeienis met het peuterspeelzaalwerk moeten staken. Deels zullen kinderopvangorganisaties het peuterspeelzaalwerk absorberen, deels zullen peuterspeelzaalorganisaties zichzelf omvormen tot kinderopvangvoorzieningen.

Scholen

Als het peuterspeelzaalwerk en de kinderopvang zijn geïntegreerd, zullen schoolbesturen steeds meer gaan beseffen dat zij op lange termijn de verantwoordelijkheid krijgen voor de 2- en 3-jarigen. Visionaire schoolbesturen hebben nu al een aparte stichting opgericht die kinderopvang (0 tot 4 jaar) of peuteropvang (2 tot 4 jaar) aanbiedt. Ook kunnen kinderopvangorganisaties de opvang van peuters verzorgen onder regie van het onderwijs. Op termijn ontvangen de schoolbesturen de reguliere middelen en de voorschoolse VVE-middelen om een aanbod voor peuters te arrangeren.

Alle peuters krijgen aanvankelijk recht op twee korte dagdelen per week, zonder financiële drempel voor ouders. Doelgroepkinderen zijn vier korte dagdelen per week welkom. Ook hiervoor hoeven de ouders niet te betalen. Dit is een opmaat naar een aanbod van vier of vijf hele (lange) dagen in de week. Daarmee krijgen kinderen van 2 en 3 jaar optimale kansen om zich spelenderwijs te ontwikkelen en een goede start te maken op de basisschool. In de nieuwe tijd kunnen ouders zorg en arbeid dus moeiteloos combineren, zonder dat dit voor hen hoge kosten met zich meebrengt.

Segregatie uitbannen

Op dit moment is er sprake van institutionele segregatie op basis van arbeid of het opleidingsniveau van ouders. Alleen als beide ouders werken, dan hebben zij recht op een financiële tegemoetkoming in de kinderopvangkosten. Niet-werkende ouders zijn aangewezen op het peuterspeelzaalwerk. Kinderen van doelgroepouders zitten in VVE-voorzieningen, waardoor deze voorzieningen meer doelgroepkinderen hebben dan andersoortige voorzieningen. De verschillen in de rechten tussen gezinnen met twee werkende ouders en gezinnen met één werkende ouder, en tussen doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen behoren in het nieuwe stelsel tot het verleden.

Infrastructuur

Waar het onderwijs een verzorgingsstructuur heeft met landelijke pedagogische centra (LPC), regionaal opererende onderwijsadviesbureaus (OAB’s), een landelijk adviesorgaan (Onderwijsraad), een landelijke inspectie (Inspectie van het Onderwijs), een landelijke leerplanontwikkelaar (SLO) en een centraal toetsinstituut (Cito), komt de voorschoolse sector er (ongewoon) bekaaid van af.

Wil de kinderopvang verdere stappen zetten, dan zal van overheidswege gebouwd moeten worden aan een infrastructuur die beleid, onderzoek, innovatie, ontwikkeling, implementatie en scholing faciliteert en bevordert. Voor een deel kan dit in de ondersteuningsstructuur van het onderwijs worden geïntegreerd. Ook nu al houden onderwijsorganisaties zich bezig met het jonge, niet schoolgaande kind: denk aan het Cito, de SLO en de onderwijsinspectie.

Coördinerend orgaan

Het is aan te bevelen om een (tijdelijk) coördinerend orgaan in te richten dat beleid, wetenschap, opleiding en praktijk in de voorschoolse sector stimuleert, dichter bij elkaar brengt en op de juiste manier inzet. Dit orgaan kan de toekomst van voorschoolse voorzieningen uitlijnen, een samenhangende onderzoeks- en ontwikkelagenda samenstellen, en een professionele cultuur in de voorschoolse sector bevorderen. Ook zou dit orgaan een centrale rol kunnen spelen bij de implementatie van een hoogwaardig voorschools stelsel dat zich kan meten met de beste van de wereld. Met meer capaciteit, mandaat en middelen zou een organisatie als BKK (Bureau Kwaliteit Kinderopvang) die rol kunnen vervullen, maar er kan hiervoor ook een nieuw orgaan worden ingericht.

Eén hand

Momenteel gaan er twee ministeries (OCW en SZW) over de voorzieningen van jonge kinderen. Gemeenten spelen ook nog een belangrijke rol bij het peuterspeelzaalwerk. Dit is op de langere termijn een ongelukkige en onhoudbare situatie. Als het peuterspeelzaalwerk straks is ondergebracht bij de kinderopvang en het voorschoolse VVE-geld rechtstreeks naar de sector gaat, dan is het logisch dat de beleidsverantwoordelijkheid voor de kinderopvang wordt overgeheveld van SZW naar OCW. Het Ministerie van OCW kan dan beter werken aan de integrale basisvoorziening voor kinderen van 2 tot 12 jaar. SZW zou de verantwoordelijkheid voor de voorzieningen voor kinderen van 0 tot 2 jaar kunnen behouden.

Kwaliteitsverhoging

Het minimaal vereiste opleidingsniveau van een pedagogisch medewerker in de voorschoolse sector is mbo-3. Gestaag wordt de beroepsstandaard binnen mbo-3 opgekrikt, denk aan het accent op de taal- en interactievaardigheden. Voor het werken met jonge kinderen is een hoger opleidingsniveau nodig. Het werk zelf, de taakstelling, de verantwoordelijkheidsdeling, en de primaire en secundaire arbeidsomstandigheden moeten zodanig worden ingericht dat meer hbo’ers in de kinderopvang willen werken. In dit licht is het op korte termijn nodig dat er een nieuwe hbo-opleiding komt die bewerkstelligt dat in de voorschoolse sector hbo’ers werken met een relevante opleiding.

Het wordt op termijn verplicht dat op elke groep, naast een mbo-3’er, minimaal één hbo’er staat; eerst alleen op peutergroepen, later ook op babygroepen. Nu al worden hbo’ers ingezet: op de groep of als coach met groepsoverstijgende taken. De combinatie van een mbo-3’er en een hbo’er op de groep is één van de belangrijkste (én tevens duurste) impulsen om de pedagogische kwaliteit van de sector te verbeteren. Voorwaarden zijn dat de hbo’er daartoe een passende opleiding heeft gevolgd en beschikt over competenties die de mbo-3’er niet in huis heeft.

HRM-beleid

Een systematische monitoring en evaluatie van de professionaliteit van het personeel draagt bij aan kwaliteitsverbetering. In het kader van permanent leren en duurzaam professionaliseren zou uitvoerend personeel (minimaal) twee keer per jaar moeten worden bezocht door een expert . Dit kan een interne (bijvoorbeeld een pedagogisch coach of leidinggevende) of een externe expert zijn (bijvoorbeeld van een trainingsbureau). Door onder meer videofeedback, coaching, intervisie, supervisie, studie en maatjesleren kan de kwaliteit van het voorschools personeel op een hoger niveau worden gebracht.

Versoepeling normen

Het is niet keihard aangetoond dat de beroepskracht-kindratio en de groepsgrootte bepalend zijn voor een optimale emotionele veiligheid en ontwikkelingsstimulering. Dit verklaart dat veel landen hiermee heel verschillend omgaan. Vooral voor 2- en 3-jarigen zijn de regels in het buitenland veel soepeler. Beschaafde landen, zoals Denemarken, Duitsland en Zweden, schrijven niet voor hoeveel kinderen er per pedagogisch medewerker in een groep mogen zitten en hoe groot de groepen mogen zijn.

Er is veel voor te zeggen om de rigide beroepskracht-kindratio en de maximale groepsgrootte in Nederland (weer) eens kritisch tegen het licht te houden. Deze eisen maken de kinderopvang relatief duur, staan innovatie op de werkvloer in de weg en er is veel tijd en bureaucratie mee gemoeid. In plaats daarvan zouden in het toezicht op de kinderopvang de beroepskracht-kindratio en de groepsgrootte van voorzieningen kunnen worden beschreven en gewaardeerd (met punten, sterren of kleuren). Dat zou trouwens ook voor andere (pedagogische) kwaliteitskenmerken kunnen gebeuren, zoals het scholingsniveau van het personeel, het professionaliseringsbudget en het ontwikkelingsgericht werken in de groep. Op die manier krijgen ouders snel een adequaat beeld van de keuzes die kinderopvangorganisaties maken en hoe dat uitpakt in de praktijk.

De inspanningen kunnen beter worden gericht op zaken die een echte kwaliteitsverhoging bewerkstelligen: een hoger initieel opleidingsniveau en (verplichte) nascholing van pedagogisch medewerkers op basis van evidence based-trainingen. Dan ontstaat er op termijn wellicht ook ruimte voor een hogere salariëring van pedagogisch medewerkers.

Kerncurriculum

Het is nodig dat er op termijn een basiscurriculum is met standaarden voor de (beginnende) ontwikkelingsgebieden: taal- en geletterdheid, rekenen / gecijferdheid[r1] , de sociaal-emotionele ontwikkeling, de psychomotorische ontwikkeling en de creatieve ontwikkeling van het jonge kind. Passend bij de Nederlandse cultuur, zouden voorschoolse voorzieningen dit curriculum – vooralsnog – geheel vrijblijvend kunnen gebruiken. Op langere termijn gaat de inspectie meer en meer letten op het aanbod en de kwaliteit daarvan: doet de voorschoolse voorziening in voldoende mate aan educatie c.q. ontwikkelingsstimulering? Dat wordt straks de hamvraag bij het nieuwe toezicht. (Zie ook verderop.)

Pedagogisch leiderschap

Een deel van de houders en managers van voorschoolse voorzieningen heeft geen onderwijskundige of pedagogische achtergrond. Dit maakt het lastiger om doelgericht en systematisch te werken aan de pedagogische kwaliteit in de groepen. Daarom is het nodig dat er strengere eisen worden gesteld aan het management. Idealiter zijn dit functionarissen met minimaal een hbo(plus)-opleiding en met kennis van jonge kinderen.

Scholing

Het scholingsaanbod voor medewerkers in de kinderopvang bestaat momenteel uit een lappendeken van interne en externe scholingen. Grote organisaties hebben doorgaans zelf een intern scholingsapparaat. Daarnaast zijn er vele kleinere bureaus en horden eenmansbedrijfjes die voor bij- en nascholing voor pedagogisch medewerkers zorgen. Er is geen centraal overzicht van het na- en bijscholingsaanbod, laat staan dat er zicht is op de kwaliteit en de effecten van de scholingen.

Het is wenselijk dat er meer zicht en controle is op de kwaliteit van de post-initiële scholing. In de toekomst zouden alleen erkende instituten en opleidingen na- en bijscholing in de kinderopvang mogen verzorgen. We moeten nadenken over minder vrijblijvende vormen van na- en bijscholing. Een beroepsregister voor pedagogisch medewerkers zou hieraan kunnen bijdragen. Om in het beroepsregister te worden opgenomen (en opgenomen te blijven), moet een pedagogisch medewerker een x-aantal uren per jaar (bijvoorbeeld 30 uren) scholing volgen die is gecontroleerd op kwaliteit. Wie niet aan de scholingseis voldoet, verliest (tijdelijk) het recht om met jonge kinderen te werken.

Toezicht

De verantwoordelijkheid voor het toezicht op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen ligt nu bij de gemeente (die dat via de regionale GGD laat uitvoeren), maar is eerlijk gezegd beter af bij een landelijk instituut dat meer op afstand staat. De gemeente heeft teveel petten op. Dit bemoeilijkt onder meer de handhaving bij problemen met houders. Het zou daarom goed zijn als de gemeentelijke toezichthoudende taak van de GGD wordt overgeheveld naar de landelijke onderwijsinspectie. Dan kunnen de inspectiekaders beter op elkaar worden afgestemd, resulterend in één toezichtkader voor het aanbod aan kinderen van 0 tot 4 jaar.

Kwaliteit kost geld

Het nieuwe stelsel wordt fors duurder. Een nationaal stelsel voor het jonge kind met een funderend karakter wordt immers volledig betaald uit de staatskas, net zoals dat het geval is voor het onderwijs. De gemeentelijke financiering van het peuterspeelzaalwerk en de (inkomensafhankelijke) ouderbijdrage worden gefaseerd beëindigd. Ook het complexe financieringsstelsel van de kinderopvang, waarbij de belasting een belangrijke rol speelt en waar de werkgevers aan bijdragen, wordt beëindigd. Op langere termijn is er een financieringsstelsel waarbij aan de houders van kinderopvangvoorzieningen kosten per kind (misschien wel met differentiatie naar leeftijdsgroep en/of achtergrond) worden uitgekeerd, net zoals in het basisonderwijs. Ook de uitbreiding van het zorgverlof bij de geboorte van een kind betekent een lastenverzwaring voor de overheid

Misschien vereist het nieuwe voorschoolse stelsel op de lange termijn wel – schrik niet – 8 miljard euro; ongeveer een verdubbeling van het huidige budget. Dat is niet zo gek als we serieus willen investeren in het jonge kind en dus in de toekomst van ons land.

Toch is het eerst en vooral ook een prioriteitskwestie in de politiek. Minder luchtmacht, meer jonge kind? Meer vermogensbelasting, meer jonge kind? Hoe het ook zij, in volgende kabinetsperiodes wordt er hopelijk steeds meer geld gereserveerd om het gedroomde beeld gestalte te kunnen geven in de praktijk. Welke politieke partij(en) staat (staan) op voor het jonge kind?

Auteur: IJsbrand Jepma

Foto: Nationale Beeldbank
‘Er is veel voor te zeggen om de rigide beroepskracht-kindratio en de maximale groepsgrootte in Nederland (weer) eens kritisch tegen het licht te houden’

‘We moeten nadenken over minder vrijblijvende vormen van na- en bijscholing. Een beroepsregister voor pedagogisch medewerkers zou hieraan kunnen bijdragen.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.