Spelenderwijs ontwikkeling stimuleren

Goede pedagogisch medewerkers kijken naar het hele kind en al zijn ontwikkelingsgebieden. Volgen zij slaafs een stimuleringsprogramma dan kan de nadruk eenzijdig op de cognitieve ontwikkeling komen te liggen. ‘Je moet voorkomen dat een programma een kramp wordt.’

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Spelenderwijs ontwikkeling stimuleren

Spelen en leren in de peuterperiode is een onderwerp dat heftige gevoelens opwekt. Al voor het advies van de Onderwijsraad in 2010 betoogden hoogleraren en kleuterleidsters van de oude stempel dat kleuters niet meer kunnen kleuteren en peuters niet meer peuteren. De Onderwijsraad koos de andere kant en vond juist dat het basisonderwijs uitgebreid moest worden met een pedagogisch aanbod voor alle driejarigen, om zo de voor- en vroegschoolse ontwikkeling van alle jonge kinderen te stimuleren. Het onderwerp blijft ook op de agenda nu peuterspeelzaal en kinderdagverblijf steeds meer naar elkaar toegroeien, met als gevolg dat voor- en vroegschoolse programma’s niet meer alleen voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand zijn.

Spelen=Leren is de toepasselijke naam van een kenniskring die het Nederlands Jeugdinstituut in 2010 en 2011 bij elkaar bracht. Die concludeerde onder meer dat programmatisch werken volgens een VVE-methode ‘een uitvlucht is voor het zwakke professionele niveau van veel groepsleiding.’ Omdat bovendien ook andere kinderen dan doelgroepkinderen willen meedoen met ‘de vrolijke avonturen van Puk of Bas’ wordt het specifieke tot ‘gangbaar’ verheven’, concludeerde de kenniskring. Het rapport is nog steeds up to date. De kenniskring ziet dat de ontwikkelingsopdracht van spelen én leren onder druk staat door de bezuinigingen. De kwaliteit van de uitvoering van het stimuleringsprogramma hangt namelijk grotendeels af van de kwaliteiten van de pedagogisch medewerker. ‘Het is daarom net zo belangrijk- of zelfs belangrijker – om te investeren in de pedagogisch medewerkers’, aldus het rapport.

Expertise

Dat vindt ook Ineke Oenema. Zij is lector Early Childhood aan de Stenden Hogeschool in Leeuwarden en werkt hier samen met Sieneke Goorhuis-Brouwer, een bekend criticaster van VVE-programma’s. Daarnaast is Oenema universitair docent orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ook zij ziet een verschoolsing van de kleuterperiode op de basisschool en van de peuterperiode in de kinderopvang. Koppel dat aan het gebrek aan kennis van de normale ontwikkeling van kinderen en kinderen krijgen te snel het label ‘achterstand’, vindt ze. Oenema: ‘De ontwikkeling van jonge kinderen kan diverse routes volgen. Een jong kind dat zich in een ander tempo ontwikkelt, heeft nog niet per definitie een achterstand. Kinderen ontwikkelen zich ten opzichte van zichzelf en niet ten opzichte van een algemene norm.’ Wees daarom voorzichtig met toetsen en plak niet te snel een etiket op kinderen, is haar advies. ‘Veel pedagogisch medewerkers vertrouwen hun eigen intuïtieve kennis niet en zoeken daarom externe hulp. Dan wordt een zich normaal ontwikkelend kind al snel apart gezet.’

Oenema pleit ervoor om de expertise bij de pedagogisch medewerker te brengen in plaats van het kind naar de expert te sturen. ‘Leidsters moeten weten wat normale variaties zijn. Want care as usual heeft de voorkeur: leidsters moeten de extra ondersteuning van de ontwikkeling inbedden in het normale groepsproces en aansluiten bij de ontwikkeling van het jonge kind. Heel goed observeren dus. Een VVE-programma biedt daarvoor prachtig materiaal. Maar splits de ontwikkeling van kinderen niet op in stukjes als cognitief en sociaal-emotioneel. Dat hangt allemaal met elkaar samen. Ik weet dat ook het toetsingskader van de inspectie dat doet. Maar we moeten de totale ontwikkeling van een kind in de gaten houden.’ De ondersteuning van de pedagogisch medewerkers moet in de ogen van Oenema veel structureler. ‘Je moet voorkomen dat zo’n programma een kramp wordt. Bovendien heeft de kinderopvang veel te maken met wisselingen van personeel. Opleiden is dus een continu proces. Daar moet vanuit het management stevig op ingezet worden.’

Holistisch

Ook Irma Koerhuis, manager het Jonge Kind bij Cito en verantwoordelijk voor Cito’s Piramide, pleit voor een holistische benadering. ‘De sociaal-emotionele ontwikkeling is daarbij altijd het uitgangspunt, een voorwaarde. Want als een kind op dat gebied nog niet ver is, komt het niet eens aan de cognitieve kant toe.’ Een aanpak als Piramide biedt een rijk aanbod met aandacht voor alle ontwikkelingsgebieden, zegt Koerhuis. ‘Iedereen kan daaruit pakken wat hem aanspreekt. Kinderen zijn nieuwsgierig en leergierig. Daar moet je aan tegemoet komen. Zeker oudere kinderen in de kinderopvang zijn er aan toe dat je ze iets extra’s biedt. Bovendien blijkt de opvoedingsomgeving een niet onbelangrijke rol te spelen in het optimaal benutten van het potentieel van kinderen. Maar altijd koppel je wat je aanbiedt aan wat een kind al weet of wat hem aanspreekt. Het gaat niet om aparte lesjes. Spel staat centraal. Je moet met Piramide niet van lesje 1 naar lesje 2. Van het woord ‘moeten’ gaan mijn haren sowieso overeind staan. Iets opleggen heeft bij kinderen van deze leeftijd geen enkele zin.’ Pedagogisch medewerkers moeten altijd zelf blijven denken, vindt Koerhuis. ‘Dat doet Piramide niet voor ze. Ze moeten steeds onderzoeken wat past bij dit kind, wat past bij deze locatie en wat past bij mij?’

Uit het spel

Kinderen moeten dus niet uit hun spel gehaald worden, omdat het programma dat voorschrijft. Maar andersom ziet pedagoog Annemiek Waage, zelfstandig pedagoog/coach en (nog) werkzaam bij de Haagse kinderopvangorganisatie Triodus, het ook gebeuren: kinderen die maar een beetje rondlopen en niet tot spel komen. ‘Dat is een gemiste kans als je met hen niets doet. Het is altijd balanceren tussen twee uitersten. Dat vereist flexibiliteit van de pedagogisch medewerker. Ze moeten aansluiten bij het kind, maar kunnen ook niet alles vanuit het kind zelf laten komen.’ Spelenderwijs alle ontwikkelingsgebieden stimuleren en uitdagen, dat is de rol van de pedagogisch medewerkers, vindt Waage. ‘Daarbij gaan we ervan uit dat de sociaal-emotionele ontwikkeling min of meer vanzelf komt. Wachten op je beurt, meedoen, stil zijn. Dat kun je weer koppelen aan andere ontwikkelingsgebieden. Zo hebben alle emoties een naam. Ze benoemen is dus erg belangrijk. Benoemen, zonder een oordeel te geven. “Daar moet je toch niet om huilen” of “Je hoeft toch niet boos te zijn” zijn verboden teksten.’

Kijken

Een pedagogisch medewerker moet leren om op haar handen te gaan zitten. Alleen maar kijken. Waage: ‘Let trouwens op de woorden “alleen maar”. Bewust kijken is al heel veel. Die observatie moet leidend zijn voor wat je met een kind gaat doen. Een VVE-programma mag nooit een keurslijf zijn.’

Ja, VVE-programma’s zijn wat meer cognitief ingesteld, vindt ook Waage. ‘Maar gerichte activiteiten kunnen kinderen ook heel veel lol bezorgen. Kinderen willen op alle ontwikkelingsgebieden heel veel leren. Cognitief is geen vies woord. Zo geeft werken met een thema structuur aan activiteiten. Het dwingt pedagogisch medewerkers om steeds nieuwe dingen te bedenken. En dat is hartstikke leuk voor kinderen.’

De kinderopvang is geen school en ook geen voorbereiding op school, vindt ze. ‘Het is een eigenstandige opvoedingsplek. En als kinderen die op de kinderopvang zijn geweest het goed doen op school is dat mooi meegenomen. Maar dat is niet het doel van de kinderopvang.’

Fijn als ze al stil kunnen zitten op een stoeltje, impliceert Waage, maar zo niet dan is het ook goed. ‘Dat past bij de leeftijd van nul tot vier. Wat ze vandaag nog niet kunnen, kunnen ze morgen wel. En overmorgen soms weer even niet. Iemand met kennis van de ontwikkeling van jonge kinderen weet dat en speelt daar op in.’

Zie ook het artikel in het blad Kinderopvang over dit onderwerp.

Foto: ANP

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.