Interprofessionele samenwerking is geen vanzelfsprekendheid

In een integraal kindcentrum is de kinderopvang nog wel eens de onderliggende partij, concludeert Rachel Verheijen in haar onderzoek. Professionele samenwerking blijft regelmatig haken op onderling vertrouwen en waardering. Ruben Fukkink en Job van Velsen zien het, na wat beginstrubbelingen, ook vaak heel goed gaan. De rol van de bestuurder of de leidinggevende is daarbij cruciaal. Net als een goed team en een heldere opdracht.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

‘Werelden van verschil’, dat is de titel van het onderzoek van Rachel Verheijen en anderen naar ‘aard en intensiteit van interprofessionele samenwerking tussen basisonderwijs en kinderopvang’. Dat laatste is tevens de ondertitel.

Het is het eerste deel van wat Verheijens proefschrift gaat worden en het verscheen in Pedagogische Studiën, want Verheijen wil graag tussentijds haar kennis delen. Ze bezocht voor haar onderzoek zestien kindcentra en hield daar 54 interviews met pedagogisch medewerkers, leerkrachten en leidinggevenden.

Onvoldoende scherp

Haar eerste ervaring was dat er onvoldoende scherp in beeld was wat samenwerking eigenlijk is. ‘De samenwerking gaat bij ons heel goed’, zeiden geïnterviewden. En dan bleek dat de een bedoelde dat ze elke dag naar elkaar zwaaiden, de ander dat ze een gezamenlijk koffieapparaat hadden en een volgende dat ze gebruikmaakten van dezelfde methode.

Kindgerichte dimensie

Dat bracht Verheijen tot de conclusie dat het belangrijk is om eerst te weten waar je het over hebt. Wat is samenwerking? Daar moest een scherpe foto van gemaakt worden. Daarom onderscheidt ze een aantal dimensies van samenwerking. Als eerste de kindgerichte dimensie: een eenduidig pedagogisch klimaat en doorgaande lijn. Als tweede een professionele dimensie met gezamenlijke dienstverlening en gezamenlijk leren. Als derde een organisatorische dimensie, wat betekent dat er een gezamenlijke aansturing en visie is. Een functionele dimensie waarbij het over gedeelde ruimtes en back en front office gaat. En als laatste een normatieve dimensie waarbij gedeelde waarden en vertrouwen centraal staan.

Heb je je al ingeschreven voor de gratis nieuwsbrief van Zosja? Zosja is het nieuwe online platform dat je helpt om toe te werken naar een IKC of jouw IKC klaar te maken voor de toekomst. Zosja levert je nieuws, duiding, achtergronden, tools en inspiratie over de wereld van de IKC’s. Voor een gratis abonnement, klik hier.

Intensiteit

Haar conclusie is dat er gelijktijdig op verschillende dimensies met een verschillende intensiteit samengewerkt wordt. Verheijen: ‘Waar het op de ene dimensie goed gaat, wordt op de andere dimensie minder intensief samengewerkt. Dan is er bijvoorbeeld wel afstemming over thema’s, maar zijn er weinig gedeelde waarden. Die zachte kenmerken zijn overigens ook het moeilijkst. Organisatorische zaken zijn gemakkelijker door het management te regelen. Maar ik kwam tegen dat in een gezamenlijke personeelskamer de pedagogisch medewerkers aan de ene kant zaten en de leerkrachten aan de andere kant. Of dat een pedagogisch medewerker zei: “Als de personeelskamer vol met leerkrachten zit, vind ik het spannend om naar binnen te gaan.” Blijkbaar voelt zij zich dus niet onderdeel van een team.’

Calimero

Dat Calimero-gevoel van pedagogisch medewerkers is meer dan een gevoel of een laag zelfbeeld van de pedagogisch medewerkers zelf, is de ervaring van Verheijen. Leerkrachten zien bijvoorbeeld dat de buitenschoolse opvang als leuk en vrijblijvend: ‘een beetje harenvlechten’. Leidinggevenden noemden, zonder dat bewust een lading te geven, dat de opleidingseisen van pedagogisch medewerkers ook wel lager zijn en dat je voor hen niet op een te hoog niveau moet praten. Of benoemden dat het onderwijs meer kijkt naar wat goed is voor het kind en de kinderopvang meer naar wat goed is voor de ouders, omdat ouders ervoor betalen. Om interprofessionele samenwerking te bevorderen moet geïnvesteerd worden in gelijkwaardigheid en gemeenschappelijke waarden, is dus een van de conclusies van Verheijen. ‘Vertrouw in elkaars kennis en kunde, zoek elkaar ook daadwerkelijk op. Ik heb gezien dat pedagogisch medewerkers en leerkrachten enthousiast hand in hand gingen, maar ook dat andere leerkrachten stiekem vonden dat moeder na schooltijd eigenlijk thuis hoort te zijn. Die eigen oordelen kunnen beperkend zijn voor hoe men in de samenwerking zit.’

Gezamenlijk leren

Uit Pedagogische Studiën: ‘De interviews maken duidelijk dat deze ongelijkwaardigheid speelt tussen kinderopvang en onderwijs in het algemeen en tussen bso en onderwijs in het bijzonder. Dit is overal merkbaar, of het nu gaat om gezamenlijk leren, dagelijkse overgangsmomenten of taakopvattingen. Het is belangrijk dat bestuurders, schoolleiders en kinderopvangmanagers zich ervan bewust zijn dat een dergelijke ongelijkwaardigheid verdere doorontwikkeling van interprofessionele samenwerking hindert.’

Balans

Er moet ook een balans gevonden worden tussen inclusie, ergens bij horen, en je eigenheid en je trots op je eigen expertise behouden, vindt Verheijen. ‘De een moet ook niet opgegeten worden door de ander. Een IKC moet geen eenheidsworst zijn. Het woord ‘integraal’ in integraal kindcentra kan dat suggereren. Net als wanneer men zegt dat alle neuzen dezelfde kant op moeten. Waarom? Naast elkaar en in uitwisseling met elkaar tot mooie dingen komen, is veel interessanter.’ De door Verheijen onderscheiden dimensies kunnen helpen om een fasering aan te brengen in je ambities, denkt ze. ‘Het is heel legitiem om verschillende ambitieniveaus te bepalen voor verschillende dimensies; bijvoorbeeld op het gebied van een doorgaande lijn een hoog ambitieniveau gecombineerd met een lager ambitieniveau voor het delen van ruimtes en materialen. Het helpt bij het prioriteren.’

Geen voorlopers

Het onderzoek van Verheijen werd gedaan op zestien Brabantse IKC’s, van twee kinderopvangbesturen en drie schoolbesturen. Het waren geen beginners op het gebied van samenwerking, maar ook geen voorlopers, zoals een aantal IKC’s in het PACT-onderzoek van Ruben Fukkink. Fukkink zag de samenwerking groeien naarmate de tijd verstreek.

In fase 0 ging het vooral om de gezelligheid, het elkaar leren kennen. Fukkink: ‘De samenwerking is dan nog erg relationeel gedefinieerd. Daarna komt een zakelijkere fase: wat gaan we doen, wat willen we bereiken, wat hebben de kinderen eraan? Als Rachel de metafoor van een foto gebruikt dan kan ik zeggen dat wij drie foto’s maakten of misschien dat het een filmpje was: begin, halverwege en na tweeënhalf jaar. Op moment twee zagen wij een groei van het team op het gebied van zelfreflectie. Vragen werden gesteld als: waar staan we en waar willen we naar toe? Wij zagen een rechte, stijgende lijn naar moment drie met een sterker team. Middel en doel waren helder; namelijk een integraal aanbod. Kennelijk is het nodig om eerst het team te versterken voordat je verder komt. Kinderopvang en onderwijs zijn twee werelden die elkaar net hebben ontmoet.’

Kikkerdril

Fukkink wil nog wel een paar vergelijkingen gebruiken: kikkerdril ziet er niet uit, maar het ontwikkelt zich uiteindelijk tot een mooie kikker. Of als je het vergelijkt met een first date: dan zijn er ook allerlei misverstanden. Bijvoorbeeld dat alleen kinderopvang er is voor opvang voor kinderen van werkende ouders. Door corona hebben we wel gezien dat school dat ook is. Doe eerst een reality check. Als je niets doet, dan blijft dat. En dan wordt het onderwijs de bovenliggende partij en de kinderopvang de onderliggende. Maar een slimme bestuurder voorkomt dit door een dubbelslag van een goed team plus een heldere opdracht.’

Directeur

Dat de directeur van een IKC vaak uit het onderwijs afkomstig is, komt omdat men in eerste instantie kijkt of iemand in het schoolleidersregister staat en de schoolleidersopleiding heeft gedaan, zegt Verheijen. Beperkingen in de samenwerking zitten soms ook in het mandaat dat de schooldirecteur heeft (groot) en dat van de locatiemanager (beperkt) en door het feit dat er bij de kinderopvang aan het eind van de streep geld over moet blijven. Ook hebben leraren meer uren voor bijscholing dan pedagogisch medewerkers. Die kun je niets steeds vrijwillig laten opdraven. Om leerkrachten en pedagogisch medewerkers meer samen te laten werken zijn er experimenten als SlimFit bij bijvoorbeeld Mondomijn. Daar wordt in domeinen gewerkt met gedeelde verantwoordelijkheid van leerkrachten en pedagogisch medewerkers, ook voor het domein nul tot drie jaar.

Scharrelruimte

Organisaties hebben scharrelruimte nodig, zei voormalig lector integraal jeugdbeleid Jeannette Doornenbal ooit. Tijd om elkaar te leren kennen. Met kleine concrete doelen, vult Job van Velsen van EtuConsult aan. Hij is dé begeleider van IKC’s in Nederland. ‘Het begint met chemie en respect. Het is mensenwerk. Vanuit macht werkt dat niet. Oh wat werken wij goed samen, zegt de een, want de ander doet wat ik zeg. Ik vraag dan ook altijd door als een directeur zegt: “Ik heb dit besproken.” Hoe dan? Met een mailtje met een opdracht? Vonden beiden het een goed gesprek? De kwaliteit van communicatie is verschrikkelijk essentieel. Het moet een wederzijds en gelijkwaardig gesprek zijn: hoe denk jij erover? Op alle niveaus: bestuurlijk, op directieniveau, in het team en met ouders.

Touwtrekkerij

Van Velsen vindt dat we het niet te snel moeten hebben over indelingen of instituties: 0-4 en 4-12 of 0-6 en 5-12 of 0-3 etc. ‘Het moet geen touwtrekkerij zijn om wie de eigenaar is. Een IKC is een middel, een middel tot betere ontwikkeling van kinderen. Er wordt nog veel te veel gesproken op institutieniveau. De vorm, de organisatie volgt uit de visie, dus zet die eerst goed neer. De volgende stap is: aan het werk. Planmatig aan de slag en op alle niveaus: groot denken, klein handelen, successen delen. Geen vergadering op vergadering, maar inzetten op doelen die iets betekenen voor het leven van kinderen. Daar begint het mee: waarom is het nodig, hoe gaan we het doen? En daar kunnen heel verschillende zaken uitkomen. En gebruik objectieve cijfers en andere gegevens bij het stellen van prioriteiten. Is er geen gezamenlijk gebouw? Kijk dan hoe school en kinderopvang, al dan niet tijdelijk, verdeeld kunnen worden over twee gebouwen. Maar dan niet de kinderopvang in het ene, en het onderwijs in het andere gebouw. Samenwerking geef je zelf vorm. Met het hele team, overal. En natuurlijk moet je elkaar waarderen, maar respect en waardering verdien je. Het is dus ook een kwestie van elkaar verleiden door te laten zien en ervaren waarin je elkaar kunt versterken.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.