Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Ferre Laevers: ‘Geen afvinklijstjes maar betrokkenheid & welbevinden’

Marike Vroom
Marike Vroom
Marike Vroom werkt al 25 jaar voor de kinderopvangbladen. Begonnen als redacteur voor het blad Kinderopvang, is ze nu hoofdredacteur van dat blad en ook van Management Kinderopvang, Kinderopvangtotaal.nl én Zosja.nl. De sector heeft voor eeuwig haar hart gewonnen.
Ferre Laevers is emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Leuven en directeur van het instituut voor ervaringsgericht onderwijs CEGO. Onder zijn bezielende leiding zijn er in Vlaanderen andere indicatoren ontwikkeld om de pedagogische kwaliteit te meten: welbevinden en betrokkenheid. Zijn benadering krijgt ook in Nederland steeds meer voet aan de grond. Marike Vroom interviewde hem voor Kinderopvangtotaal, de Podcast.
ferre-laevers-geen-afvinklijstjes-maar-betrokkenheid-welbevinden
Viacheslav Lakobchuk / stock.adobe.com

Waar komt de benadering van Ferre Laevers vandaan? Laevers: ‘Als je kijkt naar kwaliteit, kun je naar veel kenmerken kijken. In het verleden keek men vooral naar de omgeving van het kind en hoe de pedagogisch medewerkers zich gedroegen en handelden. Wij zijn anders naar settings voor kinderen gaan kijken. We kijken vooral naar wat kinderen meemaken op een dag in de opvang of school. Wat komt er op hen af? Dat perspectief heeft veel opgeleverd. Gaandeweg kwamen we op een ander criterium waarmee je kunt zien hoe kinderen vooruitkomen en zich ontwikkelen. Namelijk hoe gaat het eigenlijk met die kinderen? Vanaf het moment zijn we gaan kijken hoe een kind meer betrokkenheid kan krijgen en hoe kunnen we die kunnen verhogen. Voor de een betekent het meer vrijheid maar voor de ander meer structuur en ondersteuning. En zo hebben we een consensus ontwikkeld: als het niveau van welbevinden en betrokkenheid stijgt, dan bieden we een betere kwaliteit. Als kinderen een hoog niveau van betrokkenheid laten zien, gaan zij op in hun spel. Je ziet hun fascinatie, hun initiatief om dingen te doen, ze experimenteren. Ze zijn geboeid bezig, en dat langere tijd’, vertelt Laevers.

Vijf niveaus

Voor deze twee termen zijn vijf niveaus vastgesteld. Laevers: ‘Niveau 3 betekent: hij doet wel mee, heeft wel aandacht maar niet die energie en concentratie die je graag ziet. Qua welbevinden kun je niet goed zien hoe het kind zich echt voelt of het is zeer wisselend. Je moet minstens naar niveau 4. Dat betekent: dit kind is in de wolken en dat gebeurt vaak. In veelvoud.’

Groepsniveau

Ferre Laevers vertelt dat als je de schalen van welbevinden en betrokkenheid goed kent, je deze goed kunt inzetten op groepsniveau. ‘Ga rondkijken in de groep, laat je je blik van kind naar kind gaan, hoeveel betrokkenheid zie je? Van 1: er is geen betrokkenheid, naar 5: totale betrokkenheid.’

‘Dit instrument heb je altijd bij je, is deel van je systeem. Het is een procesgerichte manier van kijken naar wat zich afspeelt bij kinderen als ze in die context zijn. Het betekent niet dat je harder hoeft te werken. Het is anders en slimmer werken. Je ziet meer, je laat de kinderen mentaal binnenkomen. En je toetst terwijl jullie bezig zijn, wat zich aan de andere kant afspeelt. En daardoor kun je sneller zien, dat het kringgesprek fout loopt, omdat driekwart er mentaal niet meer bij is. Het kan een gewoonte worden om gedurende de dag de groep te scannen en daar je werk op af te stemmen. Het is een techniek, de 360 graden blik. In die 10-15 seconden heb je de temperatuur genomen en zie je of het goed gaat of welke kinderen zich verloren voelen. Je leert bepaalde patronen zien, welke activiteiten een bepaald kind echt aanspreken. Je krijgt een toetssteen van wat je doet.’

Individuele kinderen

‘Als je systematischer wil werken, en in de diepte wil werken, moet je welbevinden en betrokkenheid op het niveau van het individuele kind bekijken. Dan moet je antwoord geven op de vraag: als ik voor elk kind de laatste drie weken voor ogen haal, hoeveel betrokkenheid en welbevinden heb ik op een vijfpuntschaal gezien? Niet op een bepaald moment, maar globaal. En dan merk je dat je het voor een aantal kinderen niet precies weet; die gaan op in de massa. Het zijn de grijze kinderen. Dan krijg je al meer voeling welke kinderen je nader moet observeren’, legt Laevers uit.

Niet oké

Deze methodiek wijkt af van de traditionele benadering om te onderzoeken welke kinderen extra hulp nodig hebben. ‘Vaak gebeurt dit door testen en wie afwijkt van de norm, komt op de lijst. Dat is logisch maar niet oké. Want die norm staat vast, maar ieder kind is verschillend en ontwikkelt zich in een eigen tempo. Belangrijke dingen staan daar vaak niet in. Bijvoorbeeld: hoe is het gesteld met de geestelijke gezondheid, hoe zit het kind in zijn vel? Hoeveel leerbaarheid en veerkracht heeft het kind. Hoe zit het met ondernemingszin en zelfsturing?’

‘Bij een lagere score op een ontwikkelingsdomein terwijl welbevinden en betrokkenheid goed zijn, zien we het niet als een probleem maar als aandachtspunt’

Schoksgewijs

‘Je vertrekt van één norm, maar kinderen van die leeftijd groeien niet gestaag maar schoksgewijs. Als je een rijke omgeving biedt en alle domeinen bestrijkt, dan weet je gewoon dat als een kind laag scoort, deze niet profiteert van wat je aanbiedt. Hoe kan dat? Bij de kinderen waar welbevinden en betrokkenheid verlaagd zijn, ga je kijken naar hun verschillende ontwikkelingsdomeinen. Niet om de minpunten op te sommen maar vooral om een globaal beeld van een kind te hebben en de talenten te zien. Die vind je altijd. Dan ga je je blik verbreden, zodat je dan beslissingen kan nemen. Bij sommige kinderen zie je dat bijvoorbeeld dat taalvaardigheid een duidelijk zwakker domein is, maar de motoriek goed scoort. Als je een kind op niveau 3 scoort, betekent dat mainstream: het modale kind voor die leeftijd. Het gedrag dat je verwacht. Als het minder dan 3 scoort, dan wordt het code geel. Niet rood, want het kind kan een tragere ontwikkeling hebben dan een ander maar dat hoeft niet per se een probleem te zijn. Als een kind lager dan 3 scoort, ga je op alle domeinen checken hoe het kind scoort in betrokkenheid. Wat we niet doen is een kind meteen uit het systeem halen en bijspijkeren. Een vaste norm klopt niet. Bij een lagere score op een ontwikkelingsdomein terwijl welbevinden en betrokkenheid goed zijn, zien we het niet als een probleem maar als aandachtspunt. Iets om in de gaten te houden. Een kind kan zich gewoon wat langzamer ontwikkelen, zonder dat het problematisch is. Code geel is dus een wake up call: kijk of er iets aan de hand is.’

Talenten

Ferre Laevers gelooft dus niet in het aanvinken van lijstjes met gedragingen. Hij vindt ook dat je als team op zoek moet wie er in de groep uitspringt, en dat bekijk je voor alle ontwikkelingsdomeinen. ‘Wie kan heel goed organiseren en heeft goede zelfsturing? Wie is er heel ondernemend? Als je als team ziet welk kind getalenteerd is voor welk gebied heb je al een weg afgelegd. Dan heb je door de bestaande lijstjes heen gekeken. Het oordeel wat je velt moet gedragen zijn door vele observaties en vele situaties. Je gaat met een positieve blik naar kinderen kijken. Je gaat er van genieten.’

Meer horen van het verhaal van Ferre Laevers? Luister naar de podcast op SoundCloud:

Of Spotify:

Geen aflevering missen? Abonneer je op SoundCloud of via Spotify. Klik hier

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.