Blog Kirsten Fröhlich – Mentor van een bijzonder kind

Sinds 1 januari hebben alle kinderen in de kinderopvang een eigen mentor. Wat merken de kinderen van deze verandering en wat houdt het mentorschap voor pedagogisch medewerkers in? Wat moet je doen en wat moet je kunnen? En wat als je helemaal geen klik hebt met een aan jou toegewezen kind?

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Mijn gedachten gaan terug naar Joey. Joey was een klein, beweeglijk jongetje dat van de ene op de andere dag op onze groep werd geplaatst. Hij had een uitgebreid dossier wat nog zou worden nagestuurd, maar de steekwoorden die ik in een korte telefonische overdracht had genoteerd waren: druk jongetje, complexe thuissituatie, strak houden, mentor nodig. Van wat dat mentorschap dan precies moest inhouden had ik geen idee, maar dat dit kind iemand nodig had om op te kunnen bouwen, werd mij al snel duidelijk.

Aan het mentorschap in de kinderopvang worden steeds meer doelen gekoppeld; van het vroegtijdig opsporen van ontwikkelingsachterstanden tot het aanreiken van ontwikkelingskansen. Maar het meest benadrukt wordt het relationele stuk; de band met het kind versterken, bevorderen van de emotionele veiligheid en het bieden van een ‘kwalitatief hoogwaardige’ relatie. Dat zijn mooie woorden, maar wat betekent dat in de praktijk?

Ik werd mentor van Joey, maar als ik contact met hem wilde maken, hield hij zich vooral bezig met zijn omgeving. Op momenten dat mijn aandacht op een ander kind was gericht, wist hij er altijd luidruchtig tussen te komen. Wanneer hij iets wilde zeggen, pakte hij mijn gezicht met beide handjes vast en draaide het naar zich toe. Zijn stem was hard en hoog en hij gebruikte grove woorden. Hij was, om eerlijk te zijn, niet echt een kind waar ik nou meteen een klik mee had.

Het mentorschap is geen vaardigheid of truckje dat je even kunt leren. Het heeft vooral te maken met jou als persoon. Als pedagogisch medewerker neem je jezelf als hele persoon mee. Niet alleen je kennis en ervaring, maar ook je gevoel, je overtuigingen en je persoonlijke geschiedenis. Het wel of geen klik hebben met een kind, heeft daar vaak mee te maken.

Het leek wel of ik niets goed kon doen in de ogen van Joey. Een paar weken nadat hij op de groep was gekomen ging het om negen uur ’s morgens al mis. Ik had de stoeltjes van de kinderen in een kring gezet en Joey was het duidelijk niet eens met de plek die hij had gekregen. ‘Stom wijf, vieze rotkop’ hoorde ik achter me uit de mond van een vijfjarige.

Als mentor van een bijzonder kind is het belangrijk om je oordelen en angsten te herkennen en los te kunnen laten. Pas dan is het mogelijk om te handelen vanuit de behoefte van het kind. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Wat daar voor nodig is, is allereerst de onvoorwaardelijke acceptatie van het kind met zijn achtergrond.

Ik was verbluft en draaide mij om naar Joey. ‘Joey, wat is er aan de hand?’ vroeg ik. Joey ging echt te ver, maar ik probeerde het niet persoonlijk te maken en niet te oordelen. Ik liet het even zoals het was, omdat ik de emotie van het kind op dat moment belangrijker vond. Ik begon niet over zijn gedrag maar zocht hém, Joey, met al zijn sores. Hij leek wel of hij net zo verbluft was als ik. Hij werd gezien en serieus genomen en zei met een klein stemmetje: ‘Ik zit niet goed.’

‘Het mentorschap is geen vaardigheid of truckje dat je even kunt leren’

We zochten samen een nieuwe plek voor zijn stoeltje, waardoor hij begreep dat ik hem wilde zien en snappen. Die ochtend hoorde ik hem voor het eerst zachtjes meezingen met de andere kinderen in de kring. Hij schreeuwde door niemand heen en luisterde aandachtig naar wat iedereen te vertellen had. Aan het einde van de dag zocht hij mij tijdens een vrij spelmoment spontaan op en liet zijn hoofdje even op mijn schouder rusten.

Had ik Joey en de andere kinderen hiermee niet geleerd dat je met een grote mond je zin kon krijgen? Ik denk het niet. Joey wist heel goed hoe het hoorde en de andere kinderen ook. Dat zijn gescheld onacceptabel was, daar hoefde hij niet nog eens op gewezen te worden. Wat ik hem en de andere kinderen wilde laten inzien, was juist dat het niet nodig is om je zo boos te maken en dat je daarmee ook de sfeer niet hoeft te bederven.

Wat had Joey geleerd als ik hem meteen had laten weten dat zijn taalgebruik door mij niet op prijs werd gesteld en ik van hem had verwacht dat hij, net als de andere kinderen, op het aan hem toegewezen plekje was blijven zitten? Dan had hij waarschijnlijk voor de zoveelste keer geleerd dat hij er niet toe deed en niemand naar hem luisterde. Grote kans dat hij mijn gemoraliseer helemaal niet had kunnen verdragen en nog harder was gaan schreeuwen zodat ik hem uiteindelijk uit de kring had moeten zetten en hij zich weer afgewezen had gevoeld.

Had ik er dan niet later nog op moeten terugkomen bij Joey? Dat hoort toch eigenlijk wel, dat je een kind er wel even op wijst dat je zijn gedrag afkeurt? Ik heb het niet gedaan, omdat ik zijn mentor was en een band met hem wilde opbouwen. Ik vertrouwde er op dat Joey, ook zonder dat ik hem alsnog had laten weten dat hij onze fatsoensnorm had overtreden, zijn eigen conclusie wel kon trekken.

Als het je lukt om vanuit het kind te denken en zijn gevoelens, bedoelingen en behoeften ontvangt en daar op het juiste moment op een goede manier op reageert, dan bied je emotionele veiligheid. Een goede manier is pas goed, als het ook goed is in de ogen van het kind. Wat daarvoor nodig is, is voor ieder kind en in iedere situatie weer anders. Vaak is het benoemen van het gevoel van het kind al voldoende, maar het kan ook een bevestigend knikje, een aanmoediging of juist een betekenisvolle stilte zijn. Het gaat om het vertrouwen dat jij als pedagogisch medewerker aan een kind kunt geven.

Vertrouwen in het kind en zelfvertrouwen zijn de benen waarop je als mentor staat. Dat vraagt om bewustwording en ontwikkeling van jou als beroepskracht. Vertrouwen in de goede motieven en de goede wil van het kind, ook als het kind het tegenovergestelde bij je oproept, is geen gemakkelijke opgave. Ondersteuning van een pedagogisch coach, video-interactiebegeleiding en feedback van collega’s kunnen daarbij behulpzaam zijn. Het mentorschap leer je uiteindelijk van de bijzondere kinderen. Met een open geest en vooral een open hart.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.