Regels voor de buitenruimte: Er kan meer dan je denkt

Er bestaan veel misverstanden over wat wel en niet mag in de buitenruimte. Ten onrechte gaat de meeste aandacht vaak uit naar speelobjecten. ‘Als je goed over de risico’s hebt nagedacht, kan er heel veel. Maar veel ondernemers durven niet.’

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Regels voor de buitenruimte: Er kan meer dan je denkt
Foto: Kinderopvang ZON

Bij een Utrechts kinderdagverblijf gingen medewerkers en ouders samen enthousiast aan de slag met een groene inrichting van de buitenruimte. Er waren zelfgemaakte speeltoestellen, boomstammen om overheen te lopen en een tunnel. Maar de inspecteurs keurden alles af. De positionering van de objecten was niet goed, er waren bouwsels waar puntige takken uitstaken en hekjes met spijlen waartussen een nek bekneld zou kunnen raken.

Zover hoeft het allemaal niet te komen bij het inrichten van een avontuurlijke buitenruimte, vertelt landschapsontwerper Mariska Thieme van Bureau RIS. Zij werd ingeschakeld om de buitenruimte uit het voorbeeld opnieuw onderhanden te nemen. ‘Het is vooral een kwestie van rekening houden met de regelgeving over afstand, hoogte en diepte. Vaak gaat het om simpele dingetjes, zoals een uitstekend randje.’ Als er discussies zijn met de inspectie gaan die meestal over de vraag of iets wel of niet gezien moet worden als een speeltoestel. Een boomstam waar een touw aan hangt, maar ook andere natuurlijke, speelse constructies zoals een heuveltje met een boomstam, worden gezien als een speeltoestel. Eigenlijk alles wat een menselijke bewerking heeft ondergaan. En speeltoestellen moeten gecertificeerd en onderhouden worden. ‘Een grijs gebied, waarover ook professionals vaak discussies voeren.

De landschapsontwerper legde ooit bij een kindcentrum een rij paaltjes aan als afbakening tussen grasveld en pad. De inspectie zag het als speelobject waarop gebalanceerd kon worden. Thieme adviseerde de eigenaar eerst maar eens de dagelijkse praktijk af te wachten. Als de paaltjes inderdaad gebruikt zouden worden om op te klimmen en kinderen er op een vervelende manier van af bleken te vallen, moest ze het aanpassen. ‘Zo niet, dan is het gewoon een randje en een aanvaardbaar risico dat wordt opgenomen in de risico-inventarisatie. Als ondernemer ben je uiteindelijk zelf verantwoordelijk.’

Alsnog overtuigen

Dat is ook de boodschap van inspecteur Albertina de Vries van GGD Noord- en Oost-Gelderland, voorzitter landelijke vakgroep Platform Inspecteurs Kinderopvang. ‘Als een houder twijfels heeft over speelobjecten, is het aan hem om dat speeltoestel op te nemen in de risico-inventarisatie. Het is niet aan ons om daar een mening over te hebben.’

De inspectie van speelobjecten wordt dan ook niet door de GGD uitgevoerd, maar door aangewezen keuringsinstellingen zoals Datacontrol en de Keuringsdienst. Deze speeltoestel-inspecteurs hanteren het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS), terwijl de GGD rondloopt met de Wet kinderopvang in de hand. ‘Die discussies over speeltoestellen gaan buiten ons om’, zegt De Vries. ‘In de Wet kinderopvang staat niets over speeltoestellen.’

Waar de GGD wel over gaat is de omgang met risico’s. Die betreffen niet alleen speeltoestellen die vragen kunnen oproepen, maar ook bijvoorbeeld water in de buitenruimte, klimmen in bomen en de eventuele aanwezigheid van giftige planten. De GGD beoordeelt elke situatie afzonderlijk en hanteert geen algemene normen, benadrukt De Vries. ‘We kijken of alle risico’s van de buitenruimte in kaart zijn gebracht en of de houder daar actie op heeft ondernomen. Ook uit de dagelijkse praktijk moet blijken dat erover na is gedacht. Pm’ers moeten op de hoogte zijn van de risico’s en ik vraag soms ook aan kinderen of ze ervan weten.’ De GGD legt in een rapport haar bevindingen vast. De ondernemer mag daarop zijn visie geven en vervolgens bepaalt de gemeente wat ze met de GGD-bevindingen doet. De ondernemer kan met de gemeente in gesprek gaan over de handhaving. Zoals een vestiging van Kober in Breda, die door de GGD was aangesproken op de puntige rotsblokken van het watervalletje in de tuin. De directie wist de gemeente er alsnog van te overtuigen dat het risico dat kinderen zich zouden verwonden aan de puntige rotsblokken aanvaardbaar was.

Nieuwe denkbeelden

Maar veel ondernemers kiezen liever het zekere voor het onzekere. Neem de twee kinderopvangorganisaties in Tilburg, Kinderstad en NulVier, die een conflict hadden over hun gedeelde natuurlijke buitenruimte. Het meningsverschil betrof een glijbaan en de houten watergoot ernaast. Volgens Kinderstad konden kinderen de watergoot aanzien voor een glijbaan en moest deze daarom officieel gekeurd worden, volgens het andere kindercentrum niet. Na bemiddeling door Marleen van Tilburg, van BuitenRuimte voor Contact, werden de objecten alsnog gekeurd. In de tussenliggende weken mochten de kinderen van het bezwaarmakende kindcentrum niet buiten spelen. Van Tilburg: ‘Na die keuring mochten ze weer naar buiten, terwijl er inhoudelijk niets was veranderd.’ Eigenaren zijn soms banger voor de keuring dan voor de inhoud, zegt ook Mariska Thieme. ‘We focussen met z’n allen teveel op de speeltoestellen. Ondernemers zijn daar soms zó druk mee in de weer, dat ze bijvoorbeeld die spekgladde vlonders missen waar de kinderen hun tanden uit hun mond kunnen vallen.’ In die obsessie spelen de leveranciers van speelobjecten en buitenspeelinrichtingen een grote rol. Zij leveren niet alleen de producten en een omvangrijk onderhoudscontract, maar hebben ook de inspecteurs in dienst die zijn opgeleid om in het kader van de WAS op alle mogelijke en onmogelijke details te letten.

Kentering

Maar de samenleving verandert en de regels lopen inmiddels aardig achter op de praktijk, signaleert speeladviseur Marianne de Valck. Organisaties worden steeds meer geacht zelf hun verantwoordelijkheid te nemen. In overeenstemming daarmee schuift de GGD op van inspecteur naar consulent. Ze probeert de betrokkenen in de eerste plaats aan het denken te zetten, met telkens als insteek: de ondernemer neemt zélf zijn beslissingen.

Maar het teruggeven van verantwoordelijkheden kan rare situaties geven. ‘Waar de ene gemeente een trampoline van een kinderdagverblijf op een plantsoentje laat weghalen omdat er geen valdempende ondergrond is, gedoogt een andere gemeente diezelfde trampoline omdat ze verantwoordelijkheden wil terugleggen bij organisaties.’

Daarnaast is een kentering gaande in de manier waarop gedacht wordt over veiligheid. Het besef dat risico bij spel hoort, begint door te dringen. Typerend is dat de strenge wetgeving waar de WAS onder valt, niet heeft geleid tot aantoonbaar minder ongelukken met een speeltoestel als oorzaak. Inhoud en noodzaak van deze wet staan heftig ter discussie bij gemeenten en inspecteurs. En dat is goed, vindt De Valck: ‘Als er een ongeluk gebeurt doordat een jongetje achter een bal de straat op rent, geef je de bal ook niet de schuld.’ Wanneer de pedagogische onderbouwing weer leidend wordt bij de inrichting van de buitenruimte, zoals de verschillen in leeftijden met bijbehorende speelinteresses en risico’s, zijn veel van dit soort discussies bij voorbaat gewonnen, denkt ze. ‘De pedagogiek werd bij deze discussies te lang uit het oog verloren. Terwijl de pedagogische visie op spelen álles met veiligheid te maken heeft: wij bepalen waar de grenzen liggen. Door de pedagogiek buiten het ontwerp te houden, is deze discussie ontstaan. Wat nu nodig is, is een flink aantal rechtszaken die kunnen helpen om nieuwe risico-inzichten jurisprudentie te geven.’

Boeman

Adviseur Reinoud Kroese is nog geen juridische conflicten tegengekomen over buitenruimtes. Ondernemers kiezen meestal de gemakkelijkste weg: ze schieten door in veiligheid, om elke discussie te voorkomen. En dat is jammer, vindt hij: ‘Voor je het weet spelen de kinderen in dichtgeplaveide buitenruimtes van rubberen tegels en zieke wipkippen; wat nauwelijks iets met buiten spelen te maken heeft. Je kunt als ondernemer in de kinderopvang beter je huiswerk goed doen en goed weten wat de gevaren zijn. En niet alleen protocollen maken, maar ervoor zorgen dat het ook echt tussen de oren zit.’

Zelf nadenken en verantwoordelijkheid nemen, dat kan eng zijn. Een kritische opmerking van een inspecteur wordt dan al gauw als verbod uitgelegd. Soms wordt de GGD domweg verkeerd begrepen of gemakzuchtig de rol van boeman opgedrongen, merkt De Valck. Zo kwam ze laatst samen met een GGD-medewerker over de vloer bij een kinderdagverblijf, waar ze door de tuin liepen. Aan de rand stond een houten afscheiding, met daarachter een sloot. ‘De GGD-medewerker vroeg aan de directeur of ze erover had nagedacht wat er zou gebeuren als er een kind overheen zou klimmen. Dat had ze niet. Toen we er twee weken later opnieuw waren, vroeg de GGD-medewerker er opnieuw naar. Toen bleek dat de kinderen sindsdien niet meer buiten hadden gespeeld, terwijl het prachtig lenteweer was. Ze had begrepen dat het niet mocht en was daar nog steeds zeer verontwaardigd over.’

Nek uitsteken

‘Gelukkig zijn er heel veel organisaties die veel moois voor elkaar hebben gekregen in hun buitenruimte, gewoon door een goed plan te hebben’, besluit De Valck. Dat is ook de conclusie van Kroese. ‘Degenen die hun nek wél uitsteken, kunnen de discussie met de GGD aan omdat ze er goed over hebben nagedacht. Zij zeggen: “Er is een aantal aanvaardbare risico’s en daar ga ik zo mee om. De oudercommissie en de ouders zijn het hierin met me eens.” Uiteindelijk is het echt je eigen verantwoordelijkheid hoe je ermee omgaat.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.