De mythe: thuis is altijd beter

De thuisopvoeding wordt als vanzelfsprekend als van hogere kwaliteit beschouwd, maar is dat wel zo? En zijn kinderen wel gediend met een lappendekenrooster aan opvang door de week heen? Twee wetenschappers gunnen kinderen meer rust.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Wat is beter: thuisopvoeding of kinderopvang?
Wat is beter: thuisopvoeding of kinderopvang?

Onder invloed van de bezuinigingen op de kinderopvang kiezen steeds meer ouders voor een patchworkoplossing: een lappendeken van vader of moeder een dagje, opa/oma een dag, oppas en misschien een dagje opvang. Of ze kiezen ervoor om gewoon maar meteen alles zelf te doen. Daarbij ontlenen ze steun aan de in Nederland nog sterk heersende moederschapsmoraal: uiteindelijk is het nergens beter dan thuis. Opvang is in dit plaatje nog net geen noodzakelijk kwaad, meer het laatste puzzelstukje in de logistiek. Maar hoe zit het eigenlijk met de kwaliteit van het opvoedmilieu thuis? Wat weten we daar eigenlijk van?

Oneerlijk

Naar het niveau van de thuisopvoeding is nooit grondig onderzoek gedaan. Er is het onderzoek Opvoeden in Nederland 2010, waarbij vragenlijsten werden rondgestuurd naar ouders en waarbij gevraagd werd naar opvoedingsstrategieën. Kwaliteit was niet de invalshoek.

Pedagoog en emeritus hoogleraar Louis Tavecchio (UvA) vindt het oneerlijk dat aan de kinderopvang enorme eisen worden gesteld, terwijl we van de thuisopvoeding weinig tot niets weten. ‘We zien de thuissituatie als een constante, hoge waarde. Bij mama thuis is het goed – die vooronderstelling wordt nergens geproblematiseerd. De opvang, dat zijn hoogstens wat hulptroepen. Zo krijg je een onmogelijke vergelijking.’ Wat hem betreft zou er net als in de kinderopvang uitgebreid onderzoek moeten worden gedaan naar de kwaliteit van de thuisopvoeding in Nederland. Met als vraagstelling: hoeveel goed, matig en slecht functionerende gezinnen zijn er? Daarbij zouden de zes interactievaardigheden, zoals die zijn ontwikkeld voor de pm’ers in de kinderopvang, het uitgangspunt kunnen zijn. Net als daar zouden ze gemeten moeten worden aan de hand van naturalistische observaties. Een heel karwei, geeft Tavecchio toe – onderzoekers zouden gezinnen thuis moeten bezoeken en langere tijd observeren –, maar noodzakelijk. ‘Het moet een keer gebeuren om van die mythe af te komen.’

Aanvullen

Bijzonder hoogleraar Kinderopvang Ruben Fukkink (UvA) is het eens met Tavecchio dat er met twee maten wordt gemeten. ‘Het is een vraag die maar blijft opspelen: waar is het beter, thuis of op de opvang?’ Toch ziet hij onderzoek naar de kwaliteit van de thuisopvoeding in Nederland niet zitten. Daarvoor zijn de groepen ouders die voor kinderopvang kiezen en de groepen die er vanaf zien, te verschillend. ‘De eerste groep is vaak beter opgeleid, autochtoon en hanteert een moderne opvoedingsstijl. De andere groep is gemiddeld lager opgeleid en vaker allochtoon. Daardoor kun je kinderen in beide situaties niet met elkaar vergelijken.’ Bovendien: het merendeel van de Nederlandse kinderen heeft een patchworkarrangement met steeds verschillende oplossingen, zegt Fukkink, en zie zo’n rommelige situatie maar eens te ontrafelen.

Wel kent hij onderzoek waarbij baby’s thuis en op de opvang werden gevolgd. ‘Ouders en pm’ers bleken elkaar wat sensitiviteit betreft – vriendelijkheid en oog voor de behoeften van het kind – weinig te ontlopen.’ Zo dramatisch zijn de verschillen tussen opvang en thuisopvoeding niet, is de conclusie. Het is goed dat we beide mogelijkheden hebben, vindt de bijzonder hoogleraar. ‘Thuis krijgen kinderen heerlijk veel aandacht van de ouders en op de opvang heben ze heel veel leeftijdsgenootjes, zodat ze zich kunnen voorbereiden op een hypersociale omgeving van school, clubs en later werk.’

Zwalkend overheidsbeleid

Bij het kiezen voor het aantal dagen wegen bij ouders praktische overwegingen vaak zwaarder dan inhoudelijke. Beide wetenschappers wijzen naar het zwalkende overheidsbeleid. ‘Je kunt het ouders niet kwalijk nemen, zij kunnen hun baan ook niet opgeven’, zegt Fukkink. ‘Ik gun zowel ouders als kinderen stabiliteit, waarbij de keuze om gebruik te maken van opvang bewust en duurzaam gemaakt kan worden.’

Een lappendekenrooster met een snufje van het een en een snufje van het ander geeft kinderen het beste van twee werelden, zou je zeggen. Maar uit onderzoek van Tavecchio blijkt dat daar wat haken en ogen aan zitten. Kinderen met een zogeheten lastig temperament kunnen niet goed omgaan met de onvoorspelbaarheid van wekelijks wisselende opvoedingsarrangementen. Tavecchio: ‘Zij voelen zich daar niet prettig bij en hechten zich minder. Wisselende oplossingen per week vinden ze vervelend.’ In Nederland nemen we gemiddeld één tot twee opvangdagen per week af. ‘Dat is nauwelijks voldoende om de kinderopvang een betekenisvolle positie te geven’, zegt de pedagoog. ‘En als je daarvoor kiest, kun je kinderen beter twee of drie hele dagen naar de opvang sturen dan een paar niet aaneengesloten halve dagen.’ Rond de peuterleeftijd is voorspelbaarheid voor een kind belangrijk, benadrukt hij. Het maakt nogal uit of opa of oma eens per maand komt oppassen of wekelijks. ‘Ouders zeggen vaak tegen hun kind: je went er wel aan’, zegt Tavecchio. ‘Zij zouden goed moeten kijken hoe hun kind reageert. Als het zich ook na langere tijd niet aanpast, moeten ze iets anders bedenken.’

Onder druk

Kinderen die naar een goede opvangorganisatie gaan, zijn slimmer, zelfverzekerder en socialer dan kinderen die thuisblijven, blijkt uit onderzoek. Maar die kwaliteit staat steeds meer onder druk. Fukkink: ‘De laatste jaren was de kwaliteit van de kinderopvang voorzichtig aan het stijgen, vooral dankzij het inmiddels breed gedeelde besef dat kwaliteit iets is waarvoor gewerkt moet worden. Maar die positieve trend is tot stilstand aan het komen.’

Tavecchio is wat pessimistischer. Hij ziet met lede ogen aan hoe de werksoort kinderopvang aan het instorten is. Hij wijst op twee pijnpunten uit onderzoek naar de kwaliteit van pm’ers. ‘Helaas scoren pm’ers op het vlak van begeleiding van interacties tussen kinderen, een van de zes onderzochte vaardigheden, net het minste. En dat terwijl groepswerk hun vak is. Gelukkig valt het te leren. Hetzelfde geldt voor cognitieve begeleiding.’ Kinderopvangcentra zouden de groepssituatie meer moeten benutten, vindt hij. ‘Sociale vaardigheden en cognitieve stimulering zijn net de twee onderdelen waarmee kinderopvangorganisaties zich kunnen onderscheiden van de opvoeding thuis.’

Meerwaarde

Opvangorganisaties zijn vaak te beschroomd om zich te profileren als partner in de opvoeding. Ouders zien vaak wel vooral de meerwaarde van het sociale aspect – ‘dat vinden ze superbelangrijk’, zegt Fukkink. Maar de educatieve meerwaarde speelt nauwelijks een rol. Leren doen kinderen straks maar op school, is het motto. Zonde, vindt hij. ‘Voor kinderen uit gezinnen die thuis niet gestimuleerd worden, zou je bijna een doktersrecept voor kinderopvang willen uitschrijven.’ Ook ouders die aan de bel trekken omdat ze het opvoeden zwaar vinden, zouden baat kunnen hebben met een paar dagen kinderopvang ‘in het pakket’. Maar uiteindelijk is opvang goed voor bijna alle ouders en hun kinderen. ‘Daar hebben we het nooit over, maar ouders moeten ook even kunnen ademhalen. Het gaat nu alleen maar over wat het allemaal kost.’

Zijn advies voor het nieuwe jaar: zes maanden ouderschapsverlof voor een rustige start van het kind, stimuleringsmaatregelen voor een betere kinderopvang en een goed geïntegreerde voorschool. ‘Dan heb je een mooie basis, en zijn ouders vrij om te kiezen wat ze willen.’

‘Voor kinderen uit gezinnen die thuis niet gestimuleerd worden, zou je bijna een doktersrecept voor kinderopvang willen uitschrijven’

Auteur: Annette Wiesman

1 REACTIE

  1. Mee eens, elke ouder – hoe goed bedoeld ook – vind zijn eigen wiel uit en dat kan goed of minder goed uitpakken.
    Wat de lappendeken betreft – ik zeg altijd – hoe minder opvoedmilieu’s – hoe beter.
    Wij kennen situaties waarin kinderen in 1 week: een dag thuis bij moeder, twee dagen thuis bij de oppas, 1 dag naar de ene bso en een dag naar een andere bso gaat.
    Overal gelden andere regels, en op de BSO kan moeilijk een band ontwikkelen met het kind waardoor veel voordelen van het naar de opvang gaan verloren gaan.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.