BMK: ‘De kinderopvang is beter af zonder private equityfondsen’

De BMK waarschuwt in een uitgebreid opiniestuk voor een te groot vertrouwen in het kapitaal dat de kinderopvangsector instroomt dankzij grote, soms buitenlandse, private equityfondsen. ‘Laten we alert zijn op de consequenties.’

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
iStock

In antwoorden op Kamervragen van Eppo Bruins (ChristenUnie) en Peter Kwint (SP) hebben de Staatssecretarissen Van Ark (SZW) en Keijzer (Economische Zaken) een lans gebroken voor investeringen van private equity in de kinderopvang. ‘Investeringen hebben altijd een belangrijke bijdrage geleverd bij het vooruitbrengen van de sector’, stellen de bewindsvrouwen. Hiermee lijkt te worden gesteld dat de kinderopvang private equityfondsen nodig heeft om kwaliteitsinvesteringen te doen. Maar alle Nederlandse kinderopvangorganisaties investeren in de opvang – al dan niet in samenwerking met een bank – en moeten zorgen voor een gezonde, op continuïteit gerichte bedrijfsvoering. 

Wat is de prijs van private equity?
De antwoorden op de vragen van de Kamerleden benoemen de voordelen van investeringen. Niet onlogisch, want of het nu om private of publieke sectoren gaat en of het nu draait om het starten of tot bloei laten komen van organisaties: er is altijd geld nodig om te kunnen opereren. Het feit dat er geld binnenkomt hoeft ook niet het grootste punt van zorg te zijn: waar critici mee zitten zijn de vóórwaarden van die investeringen. Private equity verwacht uiteraard een flinke vergoeding over het geïnvesteerde geld. Naast de kapitaalinvestering moet een hoog en zeker rendement over een bepaalde periode worden uitgekeerd. Dat geld (extra vermogenskosten en kosten van betaalde goodwill) zien we liever binnen de kinderopvang blijven; dan kan het immers opnieuw geïnvesteerd worden, ten gunste van de kwaliteit die we nastreven. En geld dat wordt uitgekeerd aan deze investeerders komt ergens vandaan. Wie betaalt dat eigenlijk? 

Waar komt het geld vandaan?
De Nederlandse kinderopvang wordt voor ongeveer 70 procent uit collectieve middelengefinancierd, de resterende 30 procent betalen ouders via de eigen bijdrage. Hoe kan het dat een zwaar publiek-gefinancierde sector als de kinderopvang haar winsten mag uitkeren aan (buitenlandse) investeringsmaatschappijen en aandeelhouders?

Van Ark zegt hierover: ‘Het zijn de ouders die middels de kinderopvangtoeslag een financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang krijgen. Dit is dus geen gratis geld dat de Rijksoverheid aan de sector geeft. Het zijn de ouders die kiezen naar welke organisatie zij hun kind brengen.’ Wij denken dat de staatssecretaris zich vergist als ze meent dat ouders kiezen voor opvang op basis van het soort organisatie. Ouders willen kwaliteit, en of de kinderopvang waarin zij vertrouwen hebben valt onder een stichting zonder winstoogmerk of een bedrijf in handen van aandeelhouders is zal hen terecht worst wezen. Op dit vlak laat de opvang zich vergelijken met zorgaanbieders: mensen willen het beste voor hun dierbaren en voor zichzelf en zullen zich focussen op kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de voorziening. Nederlandse ouders vertrouwen op ons ‘Rijnlandse model’ als het gaat om zaken van groot zowel publiek als individueel belang, zoals zorg, onderwijs en kinderopvang. In tegenstelling tot het Angelsaksische model, zoals de VS dat hanteert, met alle ruimte voor de krachten van de vrije markt en waar de overheid zich zoveel mogelijk afwezig houdt. Er is in Nederland nog altijd een groot vertrouwen dat de overheid zorgdraagt voor veiligheid en kwaliteit in deze sectoren en dat zij de voor zulke voorzieningen benodigde solidariteit organiseert.

De kans dat ouders überhaupt weten hoe de financiële constructie van een opvangaanbieder eruitziet is bovendien klein: over die constructies bestaat immers geen enkele transparantie. Grote overnames als in april dit jaar van Partou door KidsFoundation (eigendom van de Canadese investeerder Onex) zijn geen openbare aanbestedingen. Het is onduidelijk hoeveel geld er betaald wordt. De overnamesom voor Partou bedraagt vermoedelijk enkele honderden miljoenen euro’s. In 2018 werd door investeerder Onex tot 300 miljoen betaald voor de overname van Kidsfoundation van HIG Capital die het destijds voor 5,5 miljoen uit het faillissement van Estro kocht. Wel duidelijk is dat één derde van al die honderden miljoenen euro’s uiteindelijk door ouders moet worden opgebracht – en twee derde door de overheid. Geld dat ouders, als we het hen had gevraagd, ongetwijfeld liever geïnvesteerd hadden gezien in de kwaliteit of betaalbaarheid van de opvang van hun kind.

Mag een publiek goed in handen van (buitenlandse) investeerders komen?
Private equityfondsen verwachten niet alleen stevige rendementen in ruil voor een forse kapitaalinjectie; zij willen – in tegenstelling tot een bank – vaak zeggenschap over hoe het geld besteed wordt in de organisatie, omdat daarbij altijd een winstoverweging meespeelt. Wij moeten ons afvragen of we de zeggenschap over een publiek goed als onze kinderopvang, uit handen willen geven aan buitenlande investeerders die andere motieven hebben dan de wens om de best mogelijke Nederlandse kinderopvang te realiseren.

Ook is het voor een sector als de onze, die bol staat van de regels en regelmatig overleg voert met departementen over belangrijke ontwikkelingen, ingewikkeld om afspraken te blijven maken over wat er speelt en wat moet gebeuren binnen de sector als een steeds groter blok in handen komt van buitenlandse partijen die een beperkte affiniteit met de Nederlandse kinderopvang hebben maar wel de koers bepalen. Tot slot is samenwerking met onderwijs een thema. Moeten integrale kindcentra of andere samenwerkingsverbanden straks bestaan uit een louter met publiek geld gefinancierd deel en een deel waar winstmaximalisatie een belangrijke rol speelt? We kunnen het ons maar moeilijk voorstellen.

Focus op de lange termijn
Natuurlijk staat het argument dat kwaliteit toch de belangrijkste maatstaf moet zijn voor alle opvangaanbieders buiten kijf. En inderdaad, de kwaliteit hoeft niet beter of slechter te zijn bij organisaties die eigendom zijn van een private equityfonds. Maar een samenleving moet niet door een rietje naar alle afzonderlijke opvangvoorzieningen kijken. Juist omdat kinderopvang een basisvoorwaarde is voor arbeidsparticipatie en omdat het belang van kwalitatief hoogwaardige kinderopvang steeds meer en vaker wordt onderkend is het duidelijk dat het ook en vooral moet gaan om de algemene kwaliteit van de opvang, van álle kinderopvang. En daarvoor zijn de exploitatiekeuzes die kinderopvangorganisaties maken van levensgroot belang.

Kinderopvangaanbieders maken namelijk andere keuzes wanneer zij moeten voldoen aan de winstverwachtingen van hun investeerder. Het sluiten of afstoten van vestigingen in wijken of regio’s waar minder vraag is naar kinderopvang ligt dan voor de hand. Dunnerbevolkte regio’s of minderwelvarende wijken zijn niet interessant, daar bestaat immers het risico dat geld moet worden toegelegd. Terwijl maatschappelijke kinderopvangaanbieders er wel voor kiezen in zulke wijken te blijven: minder goed draaiende vestigingen worden opengehouden met geld uit de rendabele vestigingen.

Als echter cherry picking door toedoen van door winst gedreven investeerders toeneemt, is de consequentie op langere termijn dat de spreiding van kinderopvang in wijken en dorpen in Nederland achteruitgaat. Voor ouders die hier wonen wordt het aanbod dan beperkt. Ook lopen kinderopvangaanbieders die juist kiezen voor het openhouden van locaties op plekken met veel minder vraag en minder rendement het risico dat zij dit op de lange termijn niet kunnen volhouden. Zij moeten hun winst immers verdelen over al hun locaties, ook de verlieslijdende, maar worden op de plekken waar wel winst kan worden gemaakt hevig beconcurreerd. Private equity zal omwille van winstmaximalisatie bovendien zeker inzetten op een prijsstrategie, waarmee meer inkomsten worden gegenereerd.

De consequentie van private equity in de kinderopvang zet dan ook de primaire functie die kinderopvang voor het kabinet heeft – die van arbeidsmarktinstrument – onder druk. Een goed en breed netwerk aan hoogwaardige kindvoorzieningen in wijken en dorpen is immers van cruciaal belang en een belangrijke voorwaarde voor werkende moeders en vaders. Tot slot wordt de gewenste diversiteit in het aanbod niet groter door de komst van private equity. Sterker nog, uniformering ligt voor de hand. Private equityfondsen investeren in bestaande capaciteit van kinderopvang en betalen goodwill bij de overname van deze bestaande ondernemingen. Deze goodwill moet uiteindelijk terugverdiend worden uit de exploitatie van de onderneming. Dit wordt mogelijk door het realiseren van schaalvoordelen en uniformering.

Kruispunt
We staan op een kruispunt en moeten ons afvragen welk wereldbeeld we wensen. Waarom draait het in de kinderopvang? Gaat het ons om de ontwikkeling van kinderen of is kinderopvang uiteindelijk een financiële cashcow? Het mag allemaal op dit moment, maar staan we erbij en kijken we ernaar of grijpen we in? Het is tijd om financiële bandbreedtes vast te stellen van wat we financieel acceptabel achten en wat niet. Want nu laten we gebeuren dat honderden miljoenen euro’s uit de Nederlandse kinderopvang naar het buitenland worden gesluisd, omdat dat nu eenmaal mag.

Dit is een bijdrage van de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang.

1 REACTIE

  1. Nog even los van bovenstaand genoemde argumenten m.b.t. het verdwijnen van diversiteit en verschraling van opvang in commercieel minder aantrekkelijke gebieden, zou ik nog een paar argumenten aan het rijtje willen toevoegen.

    In mijn ervaring is het ook zo dat bij een organisatie die in handen is van een buitenlandse investeerder men ergens in de organisatie in een spagaat getrokken wordt tussen commercie (winstbejag) en pedagogische kwaliteit. De focus op het behalen van een minimaal vereist rendement drukt op de operatie. Enkele effecten zijn een strakke personele inzet op de BKR, maximaal rendement behalen op de drie-uurs regeling, beperkte investeren in de pedagogische kwaliteit en investering in de speel-leer omgeving die zich veelal beperken tot louter cosmetische investeringen. Zowel goed werkgeverschap als de pedagogische kwaliteit komen onder druk te staan.

    Dit wil niet zeggen dat bij een non-profit aanbieden bovenstaande factoren nooit een rol spelen, maar in mijn ervaring is die spagaat tussen commercie en pedagogische kwaliteit
    significant minder bij een non-profit organisatie. Daar heeft men door alle lagen veelal een gemeenschappelijk doel voor ogen: kwalitatief hoogwaardige kinderopvang aanbieden.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.